EEN SCHOOL MET EEN GROOT HART

ALS GERARD Wildschut door de gangen van zijn school loopt wordt hij door twee meisjes staande gehouden. “Jij bent Sinterklaas”, giechelen ze. In gebrekkig Nederlands proberen ze hem tot een bekentenis te verleiden. “Maar ik heb toch geen lange witte baard?” antwoordt Wildschut terwijl hij langs zijn grijze sik strijkt. Het Sinterklaasfeest dat de Delta Scholengemeenschap in Bussum speciaal voor de migrantenleerlingen organiseerde ligt al maanden achter hen, maar de meisjes zijn er nog steeds vol van.

Adjunct-directeur Wildschut kent veel van de 350 leerlingen die op deze locatie voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) volgen bij naam. “Vooral degenen die er af en toe uitgestuurd worden.” Hij gaat informeel en hartelijk met de kinderen om en dat is ook precies de sfeer die deze school uitstraalt. Opgeklopte managerstermen zul je niet uit de mond van deze voormalige huishoudschool-onderwijzer horen. Zijn school is geen bedrijf en zijn leerlingen zijn geen product. Bureaucratie vindt hij de 'doodsteek' voor kinderen die juist individuele aandacht nodig hebben. Hij kan zich er regelmatig over opwinden. Wildschut laat zich liever leiden door de vraag wat ze nodig hebben en wat ze wèl kunnen. Veertig nationaliteiten lopen er op de Delta Scholengemeenschap rond, ruim driekwart van de kinderen is van allochtone afkomst. Een flinke groep verblijft in het nabij gelegen asielzoekerscentrum Crailo en bezoekt de schakelklassen waar ze Nederlands leren en klaargestoomd worden voor het reguliere onderwijs. Het verloop onder deze leerlingen is groot. Niet de eenvoudigste populatie om onder je hoede te hebben, erkent Wildschut. “Veel kinderen hebben rotervaringen, je hoopt ze nooit zelf te hoeven meemaken.”

In het keurige Gooi wordt deze 'zwarte school' met enig dédain bekeken, de vooroordelen zijn hardnekkig. Dat wist Carla Schaap toen ze in het kader van haar opleiding tot schoolleider Gerard Wildschut een tijdje ging schaduwen. Ze wilde wel eens weten hoe de dagelijkse praktijk er op zo'n zwarte school uit zag. Schaap, die zelf ook werkzaam is op een VBO-school, raakte onder de indruk van het ongecompliceerde en hartverwarmende klimaat. Wat deze school bijzonder maakt, ontdekte ze, is de 'eenheid van ideeën en praktijk'. De behoefte van het kind centraal stellen, er uithalen wat er in zit, zelfvertrouwen en zelfstandigheid stimuleren, niet te veel kletsen maar doen, praktische oplossingen zoeken ook al stroken deze niet helemaal met de regeltjes, kinderen leren hoe ze met elkaar kunnen omgaan en ouders aanspreken op hun verantwoordelijkheid als opvoeder.

Tekenend voor de sfeer op de Delta Scholengemeenschap vindt Schaap dat adjunct Wildschut er zijn hand niet voor omdraait om voor buitenlandse ouders formulieren in te vullen en bezwaarschriften te schrijven als leerlingen geen schoolvergoeding dreigen te krijgen. Ook het feit dat hij een mondje Arabisch spreekt, vindt Schaap van respect getuigen. Ze schreef een lovend rapport over deze verguisde school. Waarom de vooroordelen zo hardnekkige standhouden, begrijpt ze nog steeds niet.

'Een school met een groot hart', zo typeert Wildschut zelf de Delta Scholengemeenschap. “Onze verantwoordelijkheid voor de leerlingen gaat tot op de bodem.” Maar het is allemaal zo vanzelfsprekend voor de adjunct-directeur, dat hij geen enkele neiging heeft deze kenmerken in modieus onderwijs-Latijn te verpakken. Natuurlijk spreek je leerlingen meteen aan op hun gedrag en wijs je ze op de lichaamstaal die soms iets anders zegt dan hun woorden. Conflicten laat je niet sudderen en natuurlijk zeg je tegen ouders dat ze met hun kinderen moeten praten, als ze tenminste niet willen dat ze weglopen. Een advies dat hem wel eens een flinke dreun van een boze vader heeft opgeleverd.

Boven zijn bureau heeft Wildschut een motto van Jacob Cats hangen: Indien de jonkheit niet en deugt, en geef de schuld niet aan de jeugd, de vader zelf verdient de straf, die haar geen les en gaf. “School is meer dan school”, zo vat Wildschut zijn pedagogisch gedachtengoed samen. Naast onderwijs is er nog zoiets als opvoeding. “Wij proberen onze leerlingen te vormen tot mensen die zich maatschappelijk kunnen redden. Ook als ze niet in staat zijn een VBO-diploma te halen, moeten ze een plekje vinden.” Daarom kent de school al enkele jaren een speciale stroom voor jongens en meisjes voor wie het VBO-papiertje geen haalbare kaart is. Drie dagen school, twee dagen stage en veel individuele begeleiding. Drie docenten zijn voortdurend bezig om geschikte stage-adressen te vinden. In wasserijen en winkels, op Pampus dat wordt gerestaureerd, in garages.

En zelfs als ze van school af zijn worden ze niet meteen losgelaten, ze krijgen dan nog een half jaar begeleiding. “Door die stages maken ze kennis met de Nederlandse samenleving en werkgevers zien jongeren die anders nooit door de sollicitatieprocedures heen zouden komen”, zegt Wildschut. De school bereikt hiermee opmerkelijke successen, ook al gaat het allemaal niet geheel volgens de regeltjes. “Maar”, verzucht Wildschut, “willen ze dan dat ik de veertien vakken van de basisvorming ga geven aan kinderen die hier als analfabeet binnenkomen? Met sommigen hebben we al een mijlpaal bereikt als ze hun eigen naam kunnen schrijven.” Ook voor de andere leerlingen wordt de basisvorming meer 'naar de geest dan naar de letter' uitgevoerd. Wildschut heeft er geen zin in om deze kinderen toetsen voor te schotelen waar ze geen kant mee op kunnen.

De adjunct-directeur stelt er eer in om alle leerlingen mee te trekken, iedere uitvaller ervaart hij als een nederlaag. “En dan moet je creatieve en individuele oplossingen zoeken. We hebben geen keus, het moet.” Over dreigende uitvallers wordt eens per maand in het consultatie-team gesproken. Daarin zitten behalve docenten van de school ook een maatschappelijk werker, een leerplichtambtenaar, een schoolarts en iemand van de kinderbescherming. De school kan niet alle ellende alleen oplossen en als kinderen problemen hebben heeft onderwijs weinig zin. “Je kunt niet iets aanleren als je van binnen niet rustig bent”, meent Wildschut.

Er wordt aan kleine groepen lesgegeven, de scholengemeenschap haalt daar geld voor binnen van omringende gemeentes en het Europees Sociaal Fonds. Daardoor kunnen ook zwakke leerlingen door het examen gesleept worden. Er is een grote afdeling consumptief waar leerlingen worden opgeleid voor instellingskeukens en de horeca. De school heeft een eigen winkeltje dat door een WAO'er wordt gerund en een klein restaurant waar buurtgenoten en bekenden komen lunchen en dineren. Wildschut eet er zelf ook wel eens. Leerlingen vertellen aan tafel wat het menu is en serveren de gerechten. “Dat gaat in het begin soms heel gebrekkig, maar ze doen het. Je ziet hun zelfvertrouwen groeien.” Wildschut kan daar oprecht van genieten. Nog geen dag is hij met tegenzin naar school gegaan.