De synagoge van Ramle is Arabisch werk

In het Israelische stadje Ramle wonen joden en Arabieren door elkaar. Een Arabische architecte heeft de nieuwe synagoge ontworpen. Maar er zijn ook veel spanningen tussen beide groepen.

RAMLE, 7 FEBR. Het volle maanlicht schijnt over een nog niet afgebouwde, kleine synagoge in Ramle. Over het gezicht van de 32-jarige Israelisch-Arabische architecte Busayna Darid glijdt een gloed van trots. “Ik ben de eerste Arabische architecte die in opdracht van joden een synagoge heeft gebouwd”, vertelt ze terwijl ze naar het oriëntaalse gebouwtje kijkt dat van haar tekentafel is gekomen.

Busayna, die Grieks-orthodox is, heeft zich diep in de joodse religieuze wereld ingeleefd om haar opdrachtgevers tevreden te kunnen stellen. Erg veel moeite had ze daar niet mee. Ze was één van de eerste Arabische jongeren in Ramle die, na een toelatingsexamen, tot de joodse middelbare school werd toegelaten. Daar werd ze evenals de joodse leerlingen ondergedompeld in alle aspecten van de joodse godsdienst en Israelische geschiedenis. “Ik ken de joodse wereld van binnenuit. Ik heb veel joodse vrienden en werk met joden. Daarom was het niet zo moeilijk voor me om joodse symbolen en gevoelens in de structuur van de synagoge te integreren”, zegt ze. Dat deed ze met de technische kennis die ze opdeed tijdens haar zesjarige architectenstudie in Tjechoslowakije. Als dochter van een bekende plaatselijke communist kreeg ze, zoals veel Arabische jongeren voor de val van het Sovjet-communisme, een studiebeurs in een communistisch land “Kijk, als je door het raam naar boven kijkt zie je dat het plafond van de synagoge de vorm van een zeshoekige Davidster heeft gekregen”, zegt ze.

De synagoge van Busayna Darid ademt een oosterse sfeer. Dat is ook de bedoeling, want hij is gebouwd in opdracht van een uit Tunesië afkomstige rabbijn in Ramle. “Een buurman in de Bialikstraat, in het getto in Ramle waar wij wonen”, zegt ze.

Ramle, op de oude weg van Tel Aviv naar Jeruzalem, is een van de armste Israelische stadjes. Joden en Arabieren, respectievelijk 42.000 en 12.000, wonen er door elkaar. De opdracht die Busayna van rabbijn Yitzhak Abu Guzbra kreeg, zou de harmonie van de coëxistentie tussen beide groepen kunnen symboliseren - als de werkelijkheid niet anders zou zijn. Die realiteit staat in zwarte graffiti gespoten op de muren van appartementsblokken, nauwelijks honderd meter van de synagoge. “Arabieren zijn hoeren. Dood aan de Arabieren!”

Busayna Darid en haar vader, die zijn dochter beschermend vergezelt bij het bezoek aan de synagoge, tonen zich niet bijster geschokt. Ze zijn er aan gewend dat haat tegen de Arabieren hier en daar in Ramle van de muren schreeuwt. Bij dergelijke muurschriften blijft het echter niet. Joodse meisjes die het wagen met Arabische jongens uit te gaan, spelen tegenwoordig in Ramle met hun leven. Een gemaskerde man duikt op zijn bromfiets 's avond uit het duister op en leegt zijn pistool op joodse meisjes die de erecode van de groep hebben gebroken. Een paar meisjes zijn daarbij al gewond, van wie één ernstig.

Deze excessen zouden te maken hebben met de groeiende invloed van ultra-orthodoxe bewegingen op de jeugd in de armste wijken. De afgelopen zomer kwam Ramle in het nieuws toen Joel Lavi, de burgemeester, aankondigde 'apartheid' in het plaatselijke openbare zwembad te zullen invoeren. Arabieren en joden zouden niet meer gelijktijdig mogen zwemmen. Aanleiding tot deze, overigens niet uitgevoerde maatregel was volgens de burgemeester dat “Arabische jongens joodse meisjes in het zwembad in de billen en borsten knijpen”. Daardoor kwam het tot vechtpartijen in het zwembad, tussen joodse jongens die voor de geschonden eer van de meisjes met Arabische jongens op de vuist gingen. De spanning tussen joden en Arabieren in Ramle liep op. “We moeten van die Arabieren af”, zei een plaatselijke taxichauffeur. “Ze worden te brutaal en hebben geen respect meer voor ons”.

De spanning tussen joden en Arabieren wordt ook gevoed door een clan-oorlog in de verwaarloosde achterbuurt Juwarish. Twee grote bedoeïenenfamilies vechten daar op leven en dood een door bloedwraak aangewakkerde oorlog uit over de controle van de bloeiende drugshandel in Ramle en omgeving. De vechtersbazen, die van geen shulha (verzoening) willen weten, brengen pistolen, handgranaten, geweren en zelfs anti-tankraketten in de strijd. Onlangs belandde zo'n raket in een nabijgelegen nieuwe joodse buurt. De prijzen van de huizen daar zijn sedertdien tot grote woede van de joodse eigenaren gekelderd.

Alsof in Juwarish een intifidah is uitgebroken, heeft de Israelische grenspolitie nu in en om deze buurt bemande wegbarricades opgeworpen en wordt er met gepantserde jeeps zwaar gepatrouilleerd. Het strijdtoneel verplaatst zich echter ook naar het centrum van Ramle. Busayna Darid wijst op kogelgaten vlak bij haar huis. “Daar werd pas geschoten”, vertelt ze. De bedoeïenen in Juwarish werden door Israel in de jaren vijftig naar Ramle verplaatst toen hun land in de Negev-woestijn werd onteigend. Joden en ook Arabieren die weinig ophebben met de “primitieve” bedoeïenen beschouwen hun aanwezigheid bij Ramle nu als een plaag.

De Israelisch-Arabische oorlogen, de botsing van het zionisme met het Palestijns nationalisme, terreur en tegenterreur, laten ook hier hun sporen na in het zielsleven van joden en Arabieren. Tranen springen de vader van de architecte Busayna in de ogen, als hij het verhaal vertelt van de verdrijving van de Arabische bevolking van Ramle in 1949, toen het stadje door Israelische troepen werd veroverd.

Als een Palestijnse zelfmoordterrorist zich in Jeruzalem opblaast, zeggen joden en Arabieren in Ramle elkaar een paar dagen niet meer goedendag. “Alsof we elkaar niet meer kennen”, zegt Busayna. Als de emoties wat zijn gekalmeerd, herneemt het dagelijks leven in Ramle, waar in nieuwe buurten Russische immigranten en ook Ethiopische joden zijn ondergebracht, zijn loop. Dan wordt er in Arabische gezinnen gesproken over het sturen van hun kinderen naar joodse scholen. “Die zijn veel beter dan de Arabische lagere school in Ramle”, zeggen de ouders. “We willen dat onze kinderen in het leven slagen.” Dan worden er ook plannen gemaakt om uit de oude huizen in het 'getto' (het centrum van Ramle kreeg deze benaming omdat het Israelische militaire bestuur daar achtergebleven Arabieren uit Ramle en omgeving achter prikkeldraad onderbracht) te verhuizen naar betere appartementen in de joodse buurten. Dat proces is allang aan de gang.

Een jonge Israelische advocaat uit Ramle, David Saroussi, wijst tijdens een tocht door de stad de huizen aan waar Arabieren temidden van joden wonen. “Zonder problemen”, zegt hij. Maar dat is ook niet precies de waarheid. Want de broer van de advocaat legt daarna fel uit dat nogal wat jonge joodse gezinnen Ramle verlaten omdat ze hun kinderen niet met Arabieren willen laten opgroeien. Moeder Saroussi is geschokt door die anti-Arabische uitbarsting van haar zoon. Ze herinnert zich de goede tijden van vriendschap met Arabische kinderen in het getto waar zij, toen het prikkeldraad er niet meer was, ook heeft gespeeld en gewoond.

Busayna gelooft ondanks de spanningen in goede nabuurschap tussen Arabieren en joden. Ze spreekt perfect Ivrit en leeft en staat als een moderne jonge vrouw - net gescheiden - in de Israelische maatschappij. De media-aandacht voor haar synagoge heeft haar veel opdrachten verschaft, van joden en Arabieren. Haar broer Tony, een bouwkundige, heeft een goede baan bij een bouwonderneming in Tel Aviv. Hij weet dat hij daar geen grote carrière kan maken omdat hij Arabier is. Maar toch aanvaardt hij deze realiteit ogenschijnlijk zonder te veel wrok. Evenals Busayna denkt hij dat de situatie zal verbeteren als Israel en de Palestijnen eindelijk echte vrede sluiten. Een Palestijnse staat naast Israel, waarop de Israelische Arabieren, die zich als Israelische Palestijnen identificeren, trots kunnen zijn zonder er te wonen.