De God die faalde

Alles draait in het Communistisch Manifest om één enkel zinnetje. En dan bedoel ik niet de beroemde klaroenstoot waarmee het geschrift opent: “Een spook waart rond in Europa - het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden...”

En niet het tromgeroffel waarmee het manifest naar zijn magistrale climax gaat: “Laten de heersende klassen sidderen voor een communistische revolutie! De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen.” Zèlfs niet de dreunende paukenslag aan het slot, opmaat tot de wereldrevolutie: “Proletariërs aller landen, verenigt U!”

Nee, het is een zakelijke, zonder stemverheffing uitgesproken, schijnbaar empirische constatering, waar in wezen àl het marxistische dynamiet in verstopt zit. Deze eenvoudige woorden: “De geschiedenis van alle vroegere maatschappijen is de geschiedenis van klassenstrijden.”

Daar spreekt 'De Wetenschap'. Daar ontvouwt zich het historisch materialisme. Daar onthullen twee bebaarde Duitse ballingen in het Engeland van 1848 dat zij de ontwikkelingswetten van de menselijke maatschappij hebben ontdekt.

In de geschiedenis, niet van de klassenstrijd maar van het geschreven woord, weet ik inmiddels één ander zinnetje dat een vergelijkbare, onvoorstelbare uitwerking heeft gehad: Marcus 15, vers 38-39. Onlangs is daar bij de SUN een studie van Charles Vergeer over verschenen. Volgens het evangelie riep een Romeinse honderdman uit, toen na de kruisiging van Jezus het voorhangsel van de tempel scheurde: “Waarlijk, deze mens was een zoon van God.” Op deze kreet heeft Paulus het christendom gebouwd.

Ongeveer zo liet het Communistisch Manifest zien dat het voorhangsel van de kapitalistische tempel scheurde - en konden opstandige arbeiders het geloof van Paulus inruilen voor een nieuw evangelie. Zoals Jan Wolkers beschrijft hoe zijn vader hem met Pasen plechtstatig wekte met de boodschap “de Heer is waarlijk opgestaan”, zo riep de mijne, telkens als schokkende gebeurtenissen om een verklaring vroegen, nogal eens met ernstige stelligheid: “De geschiedenis van de maatschappij is de geschiedenis van de klassenstrijd!!”

Het Communistisch Manifest predikte geen aardse religie, het bood geen metafysische oplossing voor het menselijk lijden - precies het omgekeerde werd beoogd. Maar dat heeft voor het effect weinig verschil gemaakt. Het manifest voorspelde namelijk de overwinning van 'de' arbeidersklasse als een historische noodzaak en met wetenschappelijke zekerheid. “Wat werkelijk is, is in zichzelf noodzakelijk”, luidt het aan Hegel ontleende inzicht dat Marx en Engels de proletariërs aller landen voorhielden.

Talloze verworpenen der aarde hebben dankzij het Communistisch Manifest historische betekenis kunnen verlenen aan persoonlijke en collectieve wederwaardigheden: een staking, een arbeidersrevolte, een opstand van hongerende koelies, een demonstratie tegen het bloedbad van Sharpeville, een bedrijfsbezetting, een hongertocht, een dodenherdenking. 'Offers voor de toekomst' kregen een eschatologische lading dankzij het geloof in de overwinning van hen die de hemel wilden bestormen.

Paradoxaal genoeg was de anti-utopie van Karl Marx en Friedrich Engels juist bedoeld om 'de kritiek van de hemel' op het ten hemel schreiende maatschappelijke onrecht te vervangen door een 'kritiek van de aarde'. Wat hun voor ogen stond was het wetenschappelijke, rationele antwoord op de irrationele, hemelse wensdromen van de bezitlozen: geen bijzonder model, geen bijzondere positie ten opzichte van de andere arbeiderspartijen, geen blauwdruk voor een aards paradijs. Niets meer hadden zij te bieden dan een beschrijving van het internationale karakter van de proletarische klassenstrijd.

Daarin school het verschil met voorgaande vormen van communisme, want het communisme als zodanig was geen uitvinding van Marx en Engels.

Al tijdens de Glorious Revolution in het zeventiende-eeuwse Engeland kwam een communistische stroming op voor verdeling van de grond onder de landarbeiders. Tijdens de Franse revolutie predikte Babeuf, woordvoerder van de linker vleugel, het communisme als de consequentie van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Marx en Engels echter ontwikkelden het oude gelijkheidsideaal 'van utopie tot wetenschap'. Zij beoogden een objectieve beschrijving te geven van de tegenspraken, die het kapitalisme van binnenuit ondergraven en zo zijn lot zouden bezegelen.

Wat historici, economen of sociologen van diverse pluimage vandaag nog kunnen aanvangen met de methodologische uitgangspunten van Marx en Engels, lijkt me niet relevant voor de vraag naar de uitwerking die het Communistisch Manifest gedurende anderhalve eeuw heeft gehad. Het staat weliswaar vast dat hun analyse diepgaand van invloed is geweest op de maatschappijwetenschappen, maar dat zegt op zichzelf weinig over 'het marxisme' als wetenschap. Welke bioloog noemt zich vandaag nog Darwinist? Welke astronoom definieert zichzelf als Corperniciaan?

Het beroep van Marx en Engels op wetenschappelijke wetmatigheden, hun aanspraak op objectieve, waardevrije kennis, ontneemt in zekere zin het zicht op de historische rol die het manifest werkelijk heeft gespeeld in de emancipatiestrijd van de arbeiders. Het was geopenbaarde waarheid in empirische vermomming.

Kennis van de 'wetmatige' ontwikkeling in de productieverhoudingen leidde immers tot de onwankelbare zekerheid dat het mogelijk moest zijn de geschiedenis met geweld in de 'noodzakelijke' richting te leiden. Ziedaar de geboorte van De God die Faalde - de pseudo-wetenschappelijke God die ook door Lenin, Stalin en Mao aanbeden werd. Zo heeft het manifest óók, mede, de basis gelegd voor een amorele, pseudowetenschappelijke, inhumane zienswijze op maatschappelijke en politieke conflicten. En zo diende het 'inzicht in de historische wetmatigheid', dat de opvolgers en plaatsbekleders op aarde van Marx in pacht meenden te hebben, als ideologische legitimatie voor massamoord op ongekende schaal.

Is het Communistisch Manifest dus een moreel verwerpelijk geschrift? Integendeel: het is een vulkanische uitbarsting van morele verontwaardiging over maatschappelijk onrecht, een van woede zinderend pamflet. Het is geschreven met dezelfde walging als waarmee Marx bijvoorbeeld in Das Kapital van leer trok tegen de gewetenloze gruweldaden van de Nederlandse christelijk-koloniale heerschappij: “Een onovertroffen tafereel van verraad, omkoperij, sluipmoord, en lafhartigheid.” Met stentorstem brulde hij het uit voor de slachtoffers van hebzucht en tirannie.

Waarop was de kritiek van Marx en Engels op het kapitalisme uiteindelijk gebaseerd? De 'revisionist' Eduard Bernstein beantwoordde deze vraag al in 1896 als volgt: niet op wetenschappelijke empirie, maar op het zedelijk ideaal. De idee van 'gerechtigheid' en de ethiek van Kant zeggen mij, aldus Bernstein, dat de wereld moet worden verbeterd en hervormd.

Het is deze verborgen ethische drijfveer van de auteurs van het Communistisch Manifest, die er de duurzame waarde van uitmaakt.

De morele kritiek van Marx en Engels op het teugelloze kapitalisme is bestendiger dan hun wetenschappelijke methodologie. In het tijdperk van flitskapitaal, privatisering en marktwerking rijst toch weer de vraag: wie zal zich over de openbare voorzieningen bekommeren, wie over de armen? Het 'reëel bestaande socialisme' is verslagen en het marxisme heeft de geest gegeven. Maar realiseert men zich wel, dat dit een spook niet kan overkomen? Een spook kan niet de geest geven. Het spook van Marx en Engels blijft dus rondwaren, zolang er sociaal onrecht bestaat.

Zij waren slechts profeten.