Chinese Shaolin-monniken runnen toeristenindustrie; Fitnesstoestellen in de tempel

Het Chinese tempelcomplex Shaolin verwierf wereldfaam met zijn mediterende en vechtende monniken. Maar de geestelijken verdoen hun tijd tegenwoordig met het rondleiden van toeristen en het verkopen van boeddhistische prullaria. Alleen buiten het klooster bekwamen duizenden kinderen zich in het 'wushu', de kunst van het vechten.

Op papier en op celluloid zijn de monniken van Shaolin elegante vechtjassen. Met één been gestrekt en het andere haaks onder de romp gebogen schieten de in oranje pakken geklede mannen als menselijke vuurpijlen door de lucht. Sommigen houden daarbij vervaarlijke instrumenten vast die afkomstig lijken uit een middeleeuws arsenaal. Gewapend met hellebaarden, vlindermessen, lange zwaarden, werpsterren en metalen pijlen springen de monniken door het tempelcomplex. Sommigen staan op hun kaalgeschoren hoofden tegen één van de rode kloostermuren, met de handen voor de borst gevouwen, ogenschijnlijk in diepe meditatie verzonken. Anderen hangen met de kin in een rode lus gehaakt, biddend, als oranje vruchten in een boom. Het onwaarschijnlijkste tafereel is dat van de monnik die een steen van 25 kilo, hangend aan een dun stuk touw, met zijn testikels van de grond licht.

Meer nog dan de boeken en prentbriefkaarten heeft het kungfu-epos 'The Shaolin Temple' het tempelcomplex uit de vergetelheid gehaald. De film, in 1982 op locatie geschoten, is de hele wereld rond gegaan. Maar in het boeddhistische complex, tegen de kale heuvels van de centraal Chinese provincie Henan, is weinig of niets zichtbaar van al die actie. Die heeft zich verplaatst naar het gelijknamige dorp, op een steenworp afstand. Hier brengen seculiere scholen boerenjongens de vechtsport bij die zijn wortels heeft in de eeuwenoude boeddhistische leer van het Shaolinklooster.

Tot op de dag van vandaag bakkeleien Shaolin-specialisten over de vraag wat de de monniken van Shaolin in de zesde eeuw tot vechten aanzetten. Bekend is wel dat de monniken in het verleden veelvuldig werden ingezet tijdens militaire campagnes. Het meest legendarisch was de bevrijdingsactie van de eerste keizer van de Tang dynastie, Li Shiming, in het jaar 621. Dertien monniken hielpen Li ontsnappen, die tijdens de successiestrijd met de laatste Sui-keizer in het gevang van de vijand was beland.

Zen-sekte

Toen de Indiase monnik Bodhidharma in het jaar 527 in Shaolin neerstreek en de Chan of Zen-sekte stichtte, was van vechten nog geen sprake. Het verhaal gaat dat Bodhidharma de eerste zes jaar van zijn verblijf zou hebben doorgebracht in een grot nabij de tempel, met het gezicht naar het steen gericht, in diepe meditatie. Hij zat daar zolang dat zijn schaduw in de rotswand achterbleef. Om zijn bloedsomloop op gang te houden ontwikkelde Bodhidharma achttien bewegingspatronen - de eerste wushu schreden - die later door alle monniken zijn overgenomen. En om zich te verdedigen tegen wilde dieren bedacht hij verschillende vormen, de tijger-vorm, de aap-vorm en de slang-vorm. Bewegingen die vandaag de dag nog worden beoefend.

De monniken bleken getalenteerd en de reputatie van de 'oersterke boeddhisten' bereikte al snel de toenmalige keizerlijke hoofdstad in Luoyang, tachtig kilometer verderop. De monniken werden veelvuldig ingezet en voor hun inspanningen flink beloond in de vorm van grote lappen grond. Die grond, zo beweren Chinese historici, moest beschermd worden tegen ontevreden boeren en criminelen. Zo kon de wushu zich verder ontwikkelen. Tijdens de bloeiperiode van het klooster, in de Ming dynastie (1368-1644), had de abt van Shaolin de verantwoordelijkheid over een leger van 2500 soldaten-monniken die overal langs de grenzen van het keizerrijk werden ingezet.

Shi Yongxin, de huidige abt, heeft honderd monniken, maar vindt zijn taak daarmee nog niet eenvoudig. “Nu bestaan andere problemen.” Volgens Shi oefenen de monniken nog dagelijkse hun vechtroutines, maar het ontbreekt hen aan tijd: ze moeten hard werken voor hun dagelijks brood. Het Shaolin klooster ontvangt jaarlijks een miljoen bezoekers en Shi runt een fulltime toeristenindustrie. “De monniken zijn veel tijd kwijt in de tempelwinkels en met het begeleiden van toeristen. Van die activiteit zijn we financieel afhankelijk, want het merendeel van het toegangsgeld gaat naar de staat.”

Yan Lu, een 28-jarige monnik uit Shandong, bedient zich voor het onderhouden van zijn conditie van de modernste technieken. Op zijn kleine kamer in een nieuwbouwvleugel van het klooster bevinden zich geen stenen en touwen, maar een fitnesstoestel en een grote kleurentelevisie. Het fitnesstoestel, vertelt Yan, is niet van hem, maar eigendom van de kloostergemeenschap. Daarmee kweekt hij zijn spieren, hetgeen Yan graag demonstreert, onder toeziend oog van twee giechelende vriendinnetjes die op bezoek zijn. De meisjes zijn zichtbaar van Yan onder de indruk, en Yan ook van zichzelf, maar het heffen van de vele kilo's lood heeft weinig te maken met de elegante, soms ingetogen en dan weer felle bewegingsvormen van wushu.

“Wie zal zeggen hoe Yan Lu aan die machine komt”, zegt Naoufel Arfaoui, die met de monnik bevriend is. Arfaoui (28) komt uit Marokko en studeert sinds 1995 in Shaolin. Maar langer dan een half jaar heeft hij het binnen het tempelcomplex niet uitgehouden. “Vergeet de traditie, heb lak aan boeddhistische basisprincipes en je kunt daar terecht”, zegt Arfaoui met verachting. “Vrijwel alles wat de buitenwereld van de boeddhistische gemeenschappen in China te zien krijgt is bedrog. Ik heb niemand meegemaakt die zich aan gedane geloften houdt. De monniken komen indien gewenst aan hun gerief, gebruiken vrienden en overheidscontacten voor allerhande diensten, zetten waar mogelijk een handeltje op. Ze zijn feitelijk niet anders dan de mensen in de wereld waar zij zogenaamd buiten staan. Shaolin is te vergelijken met een staatsbioscoop. De monniken zijn ambtenaren, die functioneren binnen een ambtelijk systeem, met alle gevolgen van het moderne China van dien.”

Arfaoui, die van zijn laatste geld de lange reis van Casablanca naar Shaolin heeft gemaakt om te vervolmaken waaraan hij thuis als klein kind aan begonnen was, heeft zijn heil inmiddels buiten het klooster gevonden. Hij volgt lessen aan één van de tientallen wushu-scholen in het dorp dichtbij het kloostercomplex. Zijn leraren zijn geen monnik en zij beschouwen wushu als een sport, zonder verwijzing naar het boeddhisme. Arfaoui doet precies datgene wat de vele duizenden leerlingen in het dorp buiten Shaolin met hem doen: kopiëren en herhalen, kopiëren en herhalen, net zolang tot het hart versmolten is met, wat Arfaoui noemt, de aard van de beweging.

Stralenkrans

Het plein van het Tagou Wushu instituut, de grootste school van het dorp, is van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bevolkt met leerlingen die in grote groepen de bewegingspatronen herhalen. De meeste studenten zijn jonge boerenjongens, hier en daar staat een meisje. De trainer geeft telkens met een korte kreet aanstalte tot een volgende houding, waarop de leerlingen hun voeten met één plof op de grond zetten, alsof het om de echo van een stap van een reus gaat. De stappen worden secuur op plekken gezet zoals die zijnaangegeven in het handboek dat vele generaties terug is geschreven door Shaolin-monniken. Niet teveel naar links of rechts en in de juiste hoek, want anders trapt de leraar je uit je evenwicht. Niemand protesteert. Iedereen volgt. “Want elke leerling weet dat de leraar optreedt in het belang van de leerling”, zegt leraar Wang Zhantong.

“Ik ben als een vaderfiguur”, zegt de 27-jarige trainer, nazaat van een reeks wushu praktiserende voorouders die drie eeuwen teruggaan. Zijn veertig leerlingen behoren tot de besten die in het dorp te vinden zijn en Wang behandelt hen zoals de traditie hem heeft geleerd. “Tussen de leraar en de leerlingen bestaat een ijzeren band. Alleen als zij vertrouwen in mij hebben en we elkaar in die zin kunnen behandelen als gelijken, zullen ze een poging doen het hoogste te bereiken.” Maar van een hechte band tussen gelijken is weinig waarneembaar als de leerlingen in het gele licht van een betonnen hal van de school hun rondjes draaien.

De achtjarige Wang Ke, uit de noordoostelijke provincie Liaoning, is de absolute ster. Aan zijn flikflakken, salto's en ingestudeerde wushu patronen is niet te zien dat hij pas een half jaar in Shaolin traint. Leraar Wang zegt niets. Pas als de kleine Wang weer op zijn stoel klimt, met een gezicht alsof hij daarnet tikkertje of verstoppertje heeft gespeeld, weidt de oudere Wang uit over 'de smaak van een vuist'. “Dit is een vuist zonder ingrediënten”, zegt hij terwijl hij zijn hand voor zich uitsteekt. “Maar dit...”, met een plof schiet zijn arm vooruit, “...heeft energie.” De leerlingen kijken en zwijgen.

Een van de oudere jongens hopt op zijn rug telkens enkele centimeters van de grond terwijl hij een touw met een knetterend uiteinde onder zich door laat draaien. Leraar Wang maant aan tot een hoger tempo. Iedereen is muisstil en alleen het gehijg van de jongen en het knetteren van het touw weerkaatst tegen het betonnen dak. Wang is nog altijd niet tevreden, maar daar heeft hij naar eigen zeggen reden toe. Morgen komt de hoogste Thaise legerleider, Mongkon Ampornpisit, naar Shaolin, en van de leerlingen van Wang wordt verwacht dat zij het beste laten zien wat Shaolin in petto heeft.

Weinigen in Shaolin schoppen het zo ver als Wang Ke en zijn klasgenoten. De meesten doorlopen iedere dag, buiten op een van de vele pleinen in het dorp, de reeksen bewegingspatronen en verdwijnen na drie jaar in het Chinese leger, gaan naar de gewapende politie of vinden een baan als veiligheidsambtenaar. “Werk is geen probleem”, zegt Su Hailong van het Tagou wushu instituut. “De goeden worden leraar, de besten krijgen misschien een plaatsje in een van de rond reizende wushu-groepen [die in het buitenland, waaronder in Nederland, worden gepresenteerd als 'De vechtende monniken uit Shaolin' - red] en de meesten gaan naar het leger. Dat worden goede soldaten, dat kan ik u verzekeren.”

Ze moeten er drie jaar lang voor trainen en betalen daar 25 gulden per maand voor. Su vindt het de mooiste sport die er is. “Maar je moet wel een flinke portie doorzettingsvermogen hebben”, zegt hij. “Wie niet bitter kan eten redt het niet.” En dat doen jongens en meisjes van acht tot twintig jaar, stuk voor stuk. Ze slapen met z'n veertigen op een kamer, en zijn in de winter voor de nodige warmte alleen aangewezen op zelf meegebrachte dekens. Er wordt op vaste tijden gedoucht, gegeten, getraind, en in de avonduren gestudeerd. “Want naast sport wordt de algemene ontwikkeling niet vergeten”, zegt Su. De jongens en meisjes lijkt het allemaal niet te deren. Zij vliegen iedere morgen weer even kwiek door de lucht en slaan vol overgave de aan metalen rekken hangende bokszakken aan flarden.

Weinig of niets doet vermoeden dat de oorsprong voor al die agressieve actie in het dorp afkomstig is uit het Boeddhistische tempelcomplex even verderop. Daar is de enkele monnik die het pad van de dichte massa toeristen kruist, vooral in beslag genomen door de verkoop van boeddhistische prullaria; van vechtende miniatuur monniken tot volautomatische plastic spiegels, die achter het gepolijste glas een boeddhabeeld met een lichtgevende stralenkrans prijsgeven als je een schakelaartje omzet. “We hebben geld nodig”, zegt Shi, de abt van Shaolin, terwijl hij een contract ondertekent van de redactie van een Chinees-boeddhistisch tijdschrift voor de levering van een serie artikelen van zijn hand. Dat brengt geld in het laatje. Evenals de druk bezochte sieradenwinkel in een van de bijgebouwen. Of de karakters die een monnik op verzoek voor enkele Chinese yuans in zwarte inkt neerkwast. Om de aandacht van buitenlandse toeristen te trekken, want die hebben pas echt geld, schrijft hij met een enorme penseel, die hij telkens in een emmer met water doopt, gebrekkig Engels op de grond. 'Good mourning', schittert het water op de tegels de enkele bleekneus tegemoet.