Aanval op Irak hoeft geen fiasco te worden

Een militaire aanval op Irak lijkt nog een kwestie van tijd. Veel steun krijgt Amerika vooralsnog niet. Maar de landen in het Midden-Oosten brengen vooral onbeduidende argumenten te berde tegen het gebruik van geweld, meent Jonathan Eyal.

Verrassingen op de valreep daargelaten lijkt militair optreden tegen Saddam Hussein nu onvermijdelijk. Het enige wat nog onzeker is, is wanneer het zover zal zijn en op welke schaal het zal gebeuren. In tegenstelling tot wat veel critici in de Westerse media deze week hebben beweerd, is de strategie voor de operatie glashelder. In de eerste plaats zullen de VS en Groot-Brittannië - de enige landen die zich tot militair ingrijpen bereid hebben verklaard - trachten de aanvallen op Irak te beperken tot kleine, welbepaalde doelen, zoals fabrieken van chemische wapens en militaire bases. Het doel zal zijn zware civiele schade te vermijden maar niettemin de Amerikaanse druk op Saddam Hussein te vergroten als de Iraakse leider blijft weigeren in te binden. De grote kunst zal zijn de dictator hard genoeg te treffen om hem ervan te overtuigen dat hij de VN-resoluties niet kan blijven tarten, maar niet te hard, zodat hij de voortzetting van de internationale inspecties op zijn grondgebied weer zal aanvaarden.

Om die reden heeft de Amerikaanse minister van Defensie William Cohen de mogelijkheid geopperd dat naast de luchtaanvallen ook Amerikaanse grondtroepen worden ingezet: hoe klein de kans ook is dat Amerikaanse troepen naar Irak worden gezonden (afgezien van wat bijzondere eenheden), Cohens dreiging heeft tot doel Saddam Hussein ervan te doordringen dat hij zijn huidige beleid niet straffeloos kan voortzetten, en dat hem een hele lijst van steeds zwaardere strafmaatregelen te wachten staat.

Geen ander land ter wereld steunt de militaire optie: de oude coalitie die Irak in 1991 uit Koeweit heeft verdreven, bestaat niet meer. Ook dit keer ligt de kwestie echter niet zo eenvoudig als het lijkt. De Russische minister van buitenlandse zaken Primakov, een voormalig KGB-chef die sterke persoonlijke banden met Saddam Hussein heeft, is erop gespitst zijn bemiddelingspoging voort te zetten. De Amerikanen vertrouwen hem niet en nemen het hem kwalijk dat hij hen vorig jaar november een akkoord met Saddam in de maag heeft gesplitst (althans zo ziet Washington het) - een akkoord dat vervolgens niet werd nagekomen. De VS geven de Russische bemiddelingspogingen geen kans. Toch wil president Clinton de Russen nog enige tijd gunnen, vooral om Moskou niet openlijk te vernederen. Frankrijk, een ander lid van de VN-Veiligheidsraad dat zich nu verzet tegen militaire aanvallen, heeft financiële belangen in Irak die de Fransen willen beschermen. Maar in Parijs ziet men het zo dat zelfs wanneer de VS tot de operatie overgaan, Frankrijk zijn zegje zal hebben gedaan. Wanneer Irak straks een nieuwe leider heeft en de economische sancties tegen het land worden opgeheven, zullen de Irakezen zich herinneren dat Frankrijk hun goed gezind was en het daarvoor belonen. De belangrijkste onberekenbare factor is en blijft de reactie van Iraks buren, de andere Arabische landen in de regio.

In klassiek-Arabische stijl brengen de landen in het Midden-Oosten op het ogenblik grotendeels onbeduidende argumenten tegen het gebruik van geweld in Irak te berde, terwijl de ernstige vrees die bij de Arabieren wel degelijk leeft, nooit openlijk tot uiting wordt gebracht. Het eerste argument dat in de Arabische pers veelvuldig wordt gehanteerd, is dat president Clinton de confrontatie met Irak zoekt om de binnenlandse publieke aandacht van zijn seksschandalen af te leiden. Fout: de crisis rond Irak bestaat al jaren, en over eventueel militair ingrijpen werd in het Pentagon allang serieus gesproken voordat een jongedame in het Witte Huis beweringen ging doen over een seksuele relatie met de president.

Uit opiniepeilingen in de VS blijkt ook niet dat een actie tegen Irak nu zo heel populair zal zijn, en de president zelf heeft zo'n actie ook niet nodig voor zijn politieke voortbestaan. De operatie zal Clinton wellicht tijdelijk verlossen van de aandacht voor zijn privé-schandalen, maar ze betekent voor de toekomst van zijn presidentschap een even groot gevaar als het onderzoek naar zijn seksuele gedragingen.

Niet bekend

Een geraffineerder argument dat sommige Arabische staten naar voren brengen, is dat het VN-beleid, gericht op de vernietiging van Iraks militaire vermogen, heeft gefaald en zal blijven falen. Elk nieuw militair optreden zal Saddam er alleen maar toe brengen nieuwe chemische wapens te produceren, iets wat met geen enkele internationale inspanning te verhinderen valt. Uiteraard is het vrijwel onmogelijk om ieder wapen in een land op te sporen en te vernietigen tenzij de internationale gemeenschap zou overwegen het hele Iraakse grondgebied te bezetten.

Toch is het de moeite waard om te proberen de verspreiding van zulke afschuwelijke wapens te beperken. En de resultaten van de VN-inspecties in Irak zijn tot dusverre heel behoorlijk. Sinds het einde van de Koeweitse oorlog heeft de VN 38.000 stuks chemische munitie, 480.000 liter chemische strijdstof, 48 raketten en 30 raketkoppen voor chemische lading ontmanteld of vernietigd, meer dan is vernietigd tijdens de gehele Golfoorlog. De eersten die van de inspecties profiteren zijn de landen in het Midden-Oosten en de bevolking van Irak zelf, onder wie de eerste slachtoffers van Saddams strijdgassen zijn gevallen.

Maar als deze Arabische argumenten niet zwaar tellen, waarom zijn Iraks buren dan zo bevreesd voor militair optreden? Een serieuze rechtvaardiging is de stelling dat zij onmogelijk een offensief van de VS tegen Saddam Hussein kunnen steunen zolang dezelfde VS Israel er niet toe beweegt het vredesproces met de Palestijnen voort te zetten. Weliswaar bestaat officieel geen verband tussen deze twee problemen in het Midden-Oosten, maar zo'n verband is zonneklaar voor alle Arabieren die niet begrijpen waarom Irak wordt gestraft terwijl Israel ongestraft kernwapens produceert en, in hun opvatting, de gewettigde eisen van de Palestijnen frustreert.

Zonder twijfel zou voortzetting van het vredesproces in Israel een gunstige invloed hebben gehad op de Amerikaanse pogingen om steun van Arabische landen te verkrijgen voor een offensief tegen Irak. Maar zelfs al zou er inmiddels een vredesakkoord met de Palestijnen zijn, dan nog zou dat niet beslissend zijn geweest voor de opstelling van de Arabische Golfstaten. Want hun eigenlijke vrees is fundamenteler van aard. Koning Fahd van Saoedi-Arabië is oud en wordt allengs ziekelijker. Zijn regering wordt waargenomen door kroonprins Abdullah, die altijd al meer ambivalent tegenover de VS heeft gestaan. Adbullah wil niet de schijn wekken van al te nauwe verbondenheid met de VS, vooral omdat hij in eigen land onder druk staat van islamitisch fundamentalisme. En als Saoedi-Arabië eenmaal weigert de VS openlijk te steunen, dan zullen de kleinere Golf-staten (met uitzondering van Koeweit zelf) dat ook niet meer willen.

Nog belangrijker is de vrees bij de Saoedi's dat wanneer de Amerikaanse operatie eenmaal begonnen is, deze niet tot haar logische besluit zal voeren: Irak zal worden getroffen, maar aan het slot zal Saddam Hussein nog altijd in het zadel zitten. Vanuit dit gezichtspunt bezien is de Arabische reactie op het Amerikaanse beleid niet gebaseerd op de overweging dat militair optreden tegen Irak onverstandig is, maar op de vrees dat zulk optreden niet ver genoeg zal gaan.

De VS bevinden zich in het Midden-Oosten in een benarde positie, en er kan de komende weken veel verkeerd gaan, vooral wanneer Saddam Hussein besluit tot een raketaanval op Israel als vergelding voor een Amerikaans offensief. Maar de bewering dat de situatie volstrekt onvoorspelbaar is, of dat de VS geen strategie bezitten, is ongegrond. De militaire planologen in Washington zijn niet vergeten dat zij voor het begin van de Golfoorlog in 1991 even gecompliceerde diplomatieke toeren moesten verrichten, en dat de media toen unaniem een totaal fiasco voorspelden.

Dat fiasco is uitgebleven. Washington hoopt dat het ook dit keer zal uitblijven.