Aan de spits van het sociale leven

Een krantenknipsel dat ik onlangs vond in een oud boek van mijn vader. “Zaterdag 13 feb.” heeft hij erop aangetekend. Het bericht betreft de vondst van een brief van Zola uit 1885 tussen de oude paperassen van een Franse uitgever - bedoeld als voorwoord voor het boek Germinal, maar nooit geplaatst.

Er wordt uitvoerig uit geciteerd. “Ik wilde hen die in deze wereld aan de spits van het sociale leven staan toeroepen: Past op, richt uw blikken naar het binnenste van de aarde en ziet de ongelukkigen, die daar arbeiden, lijden en dulden. Misschien is het nog tijd om een onheil te voorkomen, maar het menschdom eist gerechtigheid.”

Zola schreef over de sociale ongerechtigheid dicht bij huis. Het is vanuit het huidig democratisch perspectief soms moeilijk voor te stellen hoe het voor de rijken geweest moet zijn zich omgeven te weten door armoede. De aardewerkfabrikanten in Maastricht met de gezinnen van hun arbeiders in de diepste ellende. De notabelen in het noorden met op paardrij-afstand de plaggenhutten. Ze moeten het geweten hebben, maar was het verschil zo vanzelfsprekend dat zij eraan voorbij konden gaan als aan een onvermijdelijk gegeven? Of stond het gevoelsmatig zo ver van hen af dat het wéten alleen niet voldoende was om de onrechtvaardigheid te kunnen beseffen?

Moeilijke vragen, waarop een deel van het antwoord misschien te vinden is in de manier waarop wij tegenwoordig de armoede in de Derde Wereld beleven, waar ook “ongelukkigen arbeiden, lijden en dulden”. Ook nu is dat een van ons afgescheiden wereld, waar we wel wéét van hebben, maar die de meesten van ons niet zo raakt dat ons leven er onder te lijden heeft. Door de moderne media krijgen wij er zelfs veel meer beelden van te zien dan de rijken een eeuw geleden van de armoede van toen. De regenten in de patriciërshuizen konden vroeger de buurten met krotwoningen vermijden, wij niet de foto's en films van lange rijen vluchtelingen.

Een verschil is dat de grote meerderheid nu - hoewel de ellende hun emotionele voorstellingsvermogen te boven gaat - probeert 'iets te doen'. Er zijn zeer veel instellingen die zich met een vorm van hulpverlening bezighouden en daar wordt in Nederland opvallend veel geld aan gegeven. Er is het besef dat wij onze welvaart niet alleen voor onszelf mogen houden. Iedere donateur heeft daarbij zijn eigen voorkeuren, velen verdelen hun bijdragen over diverse organisaties die het werk allen op hun eigen wijze doen.

Dat werk lijkt mij te belangrijk om door onderlinge concurrentie in discrediet gebracht te worden, zoals onlangs op de televisie werd geprobeerd door de christelijke EO ten aanzien van het neutrale Foster Parents. Slechts één verwijt was enigszins terecht, maar dat geldt eigenlijk voor alle organisaties: men zou wel wat opener mogen zijn over projecten die mislukken. De angst dat donateurs zich dan zullen terugtrekken lijkt ongegrond, ieder weldenkend mens begrijpt dat bij de plannen inschattingsfouten kunnen worden gemaakt.

Vorig jaar heb ik mij via archiefonderzoek wat verdiept in de ontstaansgeschiedenis van Foster Parents ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog. Daartoe geïnspireerd door een Britse oorlogscorrespondent betaalden Engelse en Amerikaanse adoptief ouders 25 dollarcent per dag om een ontheemd en verweesd Spaans kind onderdak, verzorging en onderwijs te geven. Men streefde een persoonlijke band na, de 'Foster Parents' moesten beloven hun kind veel te schrijven om het moed in te spreken en vertrouwen in de mensheid terug te geven.

Na de Tweede Wereldoorlog breidde het werk zich over een deel van Europa uit, er waren ook Nederlandse Foster-kinderen. Het ging toen al om zulke grote groepen dat de hulp niet langer aan individuele kinderen kon worden gegeven. Men kon niet één kind uit een Belgisch weeshuis of één kind uit een Italiaans gezin eten en kleren geven en de anderen laten toekijken. De geadopteerde kinderen werden dus min of meer ambassadeurs voor hun leefgemeenschap en dat is zo gebleven toen het werkterrein zich verplaatste naar ontwikkelingslanden.

Natuurlijk kun je je afvragen of dat idee van de persoonlijke band dan nog wel nodig is. Maar mij lijkt het toch wel zinvol, en misschien is er ook een verklaring voor te geven. De menselijke hulpvaardigheid is, zoals de beroemde psycholoog Skinner dat heeft uitgedrukt, in wezen een dadendrang. Men wil iets dóen. Ten aanzien van ontwikkelingshulp is dat een probleem. De vraagstukken liggen ver weg en zijn gecompliceerd, zodat ze een professionele aanpak vragen. Geld geven dus, als een afgeleide daad. Maar om hulpvaardig te blijven moet men ook effect zien, hoe bescheiden ook. En wederom is dat een probleem doordat de rampen en ellende elders in de wereld het voorstellingsvermogen te boven gaan. De vooruitgang die daar wordt geboekt is in welvarende ogen haast verwaarloosbaar. Je moet al eens zelf in zo'n gebied zijn geweest om iets te begrijpen van de afstand die moet worden overbrugd.

Daartoe hebben maar weinigen de gelegenheid. En dan helpt zo'n geadopteerd kind om het onvoorstelbare terug te brengen tot concreet waarneembare mensenmaat. De anonieme wereldarmoede krijgt dan zelfs een naam: Dinesha, Mario, Gina, Kabul, Saroj. Als het dan hun een beetje beter gaat, heb je het gevoel dat je hulp helpt.

Misschien wat primitief, maar wel menselijk, al zal niet iedereen er evenveel behoefte aan hebben. De concreetheid kent gradaties. Ik wil graag citeren uit een vraaggesprek dat ik vorig jaar met minister Borst had. Ze zei: “Ik had eerst een jongetje uit Zuid-Amerika. Hij stuurde een tekening en ik een briefje met een foto van mezelf. Ik vond het leuk dat ik voor hem kon betalen, maar daar bleef het ook bij. En toen ging hij verhuizen naar een dorpje waar Foster Parents Plan geen invloed meer op heeft. En nu heb ik een knaapje uit India en daarmee is het hetzelfde. Er is niks tussen ons. Maar je hebt ook Foster Parents die gaan er met vakantie heen. Dan zie je op een foto zo'n familie voor het hutje staan en die bleke Hollanders er omheen met ons kind. Er zijn twee soorten Foster Parents, denk ik.”

Maar beide soorten Foster Parents staan, in de woorden van Zola, “aan de spits van het sociale leven” en ze voelen de verplichtingen die dat meebrengt.