Zeg me waar ik woon

Wanneer diep in de nacht bij het Rijksmuseum een man 'Ik weet niet waar ik woon!' schreeuwt, niet één keer, niet tien keer, maar wel dertig keer achter elkaar met een hartverscheurend volume en zonder schor te raken, dan moet die man een krankzinnige zijn. Ik zag hem staan.

Hij had zich aan het hekwerk vastgegrepen en probeerde er in het ritme van zijn radeloze uitroepen beweging in te krijgen alsof hij binnen de hekken onderdak of misschien zelfs wel antwoord hoopte te vinden. De maan was bijna vol en had van het museum een sprookjeskasteel, een ogenschijnlijk onneembaar slot gemaakt.

Dat moet ook híEÉj gezien hebben en dat moet hem nog dieper in zijn radeloosheid hebben geduwd, want plotseling liet hij het hek los, draaide zich om en schreeuwde toen op dezelfde toonhoogte maar sneller en hortend 'Ik weet niet wie ik ben!'

Vanuit mijn zolderraam zag ik hem staan in zijn verlatenheid: een donkere gestalte die nergens vandaan kwam en nergens naartoe ging, een zwerver wiens enige bezit waarschijnlijk bestond uit een tiental woorden en een bovenmenselijke stem die alleen door slapelozen werd gehoord.

Een paar uur eerder, op het laatste journaal, had ik horden van deze gestaltes gezien, even ontheemd, even naamloos en even dichtbij: de door Kadir van Lohuizen gefotografeerde vluchtelingentrein uit of naar Kisangani - uit welke richting het grootste gevaar voor de vluchtelingen kwam was me niet duidelijk - was dwars door het beeldscherm mijn werkkamer binnengereden.

Een paar dagen eerder had ik langs dezelfde weg boten aan land zien komen, vaartuigen zo volgestouwd dat het een wonder mocht heten dat ze niet waren gezonken; de verdwaasden konden nog net uitbrengen waar ze vandaan kwamen, maar ze woonden nergens meer en wie ze waren deed er voor niemand iets toe. En een maand eerder had ik, rond hetzelfde tijdstip en op dezelfde wijze, mijn verdieping in een Brabants of Veluws opvangkamp zien veranderen: de Koerdische vrouwen zoogden hun kinderen bij de warmte van een blauw kampeerkookstelletje, Somaliërs hingen in de kou hun truien te drogen aan slapgespannen tentlijnen en Bosnische meisjes verdwenen tussen de struiken omdat een tent nu eenmaal geen sanitaire voorzieningen heeft.

Waar woon je als je bij een hek of bovenop een trein of in een vooronder of in een tent leeft? Wie ben je als je op de vlucht bent voor werkelijke gevaar of voor het gevaar dat iedere dag opnieuw op de loer ligt in de waan?

Ik zag de man bij het museum staan. Hij schreeuwde niet meer. Het was of hij zich had verzoend met de niet te beantwoorden vraag over zijn bestaan. Hij bukte zich, raapte iets op, bekeek het, gooide het weg, kreeg kennelijk spijt en ging het oprapen, stak het in zijn zak, gooide het weer weg.

Een gracht scheidde mij van hem, een smalle strook ondiep water met om de paar honderd meter een brug. Bij dag zouden onze blikken elkaar kunnen raken. We zouden elkaar kunnen toeknikken. Moed toeroepen. Zwaaien of in de richting wijzen van het kantoor van de Burgerlijke Stand, van het dichtstbijzijnde koffiehuis misschien. Maar het was nacht.

Na veel gedraai ben ik in slaap gevallen. De Amsterdamse zwerver heeft zich bij de horde op drift geraakten gevoegd. In mijn droom zag ik zijn donkere gestalte op het dak van de vluchtelingentrein uit of naar Kisangani zitten, zwijgend, platgedrukt, evenmin als zijn medepassagiers in staat te vragen: Waar woon ik? Zeg me wie ik ben! Hij hing ook over de reling van de Turkse of Albanese boot die koers zette naar een Zuid-Italiaanse haven maar aan land liep op een willekeurig strand. En in het tentenkamp stond hij tussen de verkleumde Somaliërs zijn trui te wassen terwijl de tentenkamppastoor kaarsen opstak en vrede preekte en liederen zong.

Toen ik ook mezelf zag schrok ik wakker, zwetend en met kloppend hart. Haastig trok ik het gordijn van mijn zolderraam open om te zien waar ik woonde. Langs de hekken van het Rijksmuseum had zich al een lange rij bezoekers gevormd.