Ted Hughes antwoordt Sylvia Plath; Zoekend, pratend, troostend, vragend

Ted Hughes: Birthday Letters. Faber & Faber, 196 blz. ƒ 53,65

Morbide fascinatie joeg me de literaire scoop van de eeuw in. Wat? Gedichten aan de Amerikaanse martelares van het woord, Sylvia Plath, geschreven door haar eigen echtgenoot - de man die er bovenop stond toen ze zich op dertigjarige leeftijd vergaste. Fatale liefde! Noodlot! Dood!

Om iedereen voor te zijn, liet Ted Hughes de publicatie van Birthday Letters in het grootste geheim voorbereiden: geen publiciteit, geen drukproeven, geen interviews. Je vraagt je af hoeveel geiten Hughes aan de goden geofferd heeft om dit te laten lukken. Hij heeft de grootste literaire sensatie van het jaar, het decennium, misschien wel de eeuw - een biografische bundel over een van de beroemdste, meest begaafde vrouwelijke dichters, de meest geromantiseerde schrijfster van The Bell Jar (1963) ooit, door haar echtgenoot, zelf ook nog een van de belangrijkste produktieve dichters in Engeland - geheim weten te houden in de uitgeverswereld. En de literaire pers volkomen overdonderd, een godswonder in een industrie die loopt op roddel en achterklap.

Volgende week is Plath vijfendertig jaar dood. Al die tijd heeft Hughes, die twee weken geleden de Engelse Whitbread poëzie-prijs kreeg voor zijn vorige bundel Ovid, niet eerder over haar geschreven. Hij heeft zelfs niet over haar wilen praten. Zijn hardnekkig zwijgen heeft hem tot bijna net zo'n ikoon gemaakt van de feministische academische wereld, van vrouwenstudies tot literatuurwetenschap, als zijn eerste vrouw zelf.

Dat hij haar een paar weken voor haar dood verliet en introk bij een andere vrouw, zijn eerste met twee jonge kinderen achterlatend, maakte hem in deze kringen al niet populair. Daarna dwarsboomde hij op elke mogelijke manier de pogingen van de Amerikaanse literatuurvakgroepen - na haar dood volgestroomd met Plath's in spé, sombere jonge meisjes die zich herkenden in Plath's aangrijpende autobiografische beschrijvingen van depressie en doodswens - haar werk in de context van haar laatste levensjaren te plaatsen.

Plath had haar dagelijks leven altijd bijgehouden in levendige, krasse notitie-boekjes. Hughes verbrandde er één en 'verloor' de andere. De rest heeft hij tot nu toe geweigerd te publiceren, net als de honderden pagina's van haar hand die nog her en der opgeslagen liggen. Openlijke haat haalde hij zich op de hals door elke medewerking aan Plath-biografen - met uitzondering van Anne Stevenson - te weigeren. Eén kritisch woord en ze mochten zelfs geen regel uit haar werk citeren. Interviews geeft Hughes ook niet omdat journalisten volgens hem geobsedeerd zijn door zijn relatie met Plath en niet geïnteresseerd in zijn eigen werk en leven. Hij wordt liever verkeerd begrepen dan dat hij zich 'de arena in laat slepen en me net zo lang laat jennen en porren tot ik alle details van mijn leven met Sylvia opkots ter vermaak van de honderdduizenden literatuur-professoren en studenten met hun basale nieuwsgierigheid, hun ordinaire bloeddorst'.

Vandaar stilte, ook nu. Hughes wil geen sensatiecircus. Hij heeft poëzie geschreven, geen Life and Death of Plath. 'We wilden de gedichten voor zich laten spreken', zegt uitgeverij Faber in The Guardian. Wie Birthday Letters oppakt uit morbide interesse wordt echter niet teleurgesteld. De bundel gaat over zijn huwelijk met Sylvia Plath. Over haar schittering, haar waanzin, haar demonen, haar suïcidale depressies en over haar dood en haar graf.

Hartverscheurend

De bundel is chronologisch en begint hartverscheurend romantisch, 42 jaar geleden, februari 1956, op een feestje. 'Plotseling jij. (..) Firstsight. Geïsoleerd in het eerste snapshot/ Langer/ Dan je ooit opnieuw was.' De eerste ontmoeting - noodlotspartners. 'Die dag huwde het zonnestelsel ons/ of we het doorhadden of niet.' Je gezicht was een opgerold balletje vreugde, zegt Hughes, 'je ogen, in je gezicht geperst, geperste diamanten, onvoorstelbaar helder, helder als geperste tranen, die tranen van vreugde geweest zouden kunnen zijn, a squeeze of joy'.

'Die grote, donkere hunky jongen,' schreef ze zelf over die ontmoeting in haar dagboek, 'de enige die enorm genoeg was voor mij, wiens naam ik gevraagd had zodra ik binnenstapte, kwam naar me toe keek in mijn ogen en het was Ted Hughes... en beng de deur ging dicht en hij plensde brandy in een glas en ik plensde het op de plek waar m'n mond geweest was toen ik hem voor het laatst wist te vinden (..) en ik stampte en hij stampte op de vloeren toen kuste hij me beng smash op de mond en rukte mijn haarband af (...) en mijn lievelingsoorbellen: haha, die hou ik blafte hij. En toen hij me kuste in mijn nek beet ik hem lang en hard in zijn wang, en toen we de kamer uit kwamen stroomde het bloed van zijn gezicht. (...) En ik schreeuwde bij mezelf, terwijl ik dacht: oh, to give myself crashing, fighting, to you.'

Hughes herrinnert zich verder weinig van die avond. 'Behalve mijnverbijsterde onderzoek (...) van de zwelling van tandafdrukken/ Die mijn gezicht de eerstkomende maand zou tekenen/ The me beneath it for good.'

Toen ze elkaar ontmoetten had Plath een traumatische jeugd, met op negenjarige leeftijd de dood van haar vader en later een mislukte zelfmoordpoging en een opname in een inrichting, achter de rug. Ze reisde door Europa, alleen, desperaat en suïcidaal. Hughes laat zien hoe hij die keerzijde van haar sprankeling bij beetjes ontdekt. Tijdens een van hun eerste trips, naar Parijs, bekijkt hij haar enthousiasme, haar kreetjes, haar Amerikaanse pret met milde toegeeflijkheid. Zelf, veteraan van de Royal Airforce, ziet hij alleen de kogelgaten in de bruggen, de collaborateursgezichten op straat.

Maar in de loop van Your Paris verandert het perspectief langzaam van de verliefde twintiger naar de zestiger die hij inmiddels is. Geen idee had hij van de angsten die ze uitstond, de monsters die ze zag op elke hoek, terwijl hem alleen wat schrammen en gaten opvielen. Fate Playing laat zien hoe hem destijds voor het eerst iets van de afgrond van haar depressies duidelijk werd. Plath, Amerikaanse in Londen, stond hem op het verkeerde station op te wachten, nu rijdt hij, iets vertraagd, nietsvermoedend King's Cross binnen, waar ze aan komt rennen, een en al 'urge and agitation': 'je uitroepen, je zwiepende armen/ Your scattering tears/ Alsof ik uit het graf was herrezen/ Tegen elke mogelijkheid in, tegen/ Elk negatief behalve je eigen gebed/ Aan je eigen goden.'

Dat Hughes niet eerder over haar geschreven heeft en niet over haar praat, is in elk geval niet, zoals hem vaak is verweten, omdat hij haar niet probeerde te begrijpen. Elke regel is een poging in het reine te komen met het verleden, om te bevatten wat er gebeurde. Zoekend, pratend, troostend, vragend. Helder, en met mededogen, onderzoekt hij bladzij na bladzij wat haar bezielde. Het begon al bij je geboorte, zegt hij. 'Daar ontmoette je het - het raadsel van de haat.' Hoe je ook je best deed je ouders te bereiken, 'with gifts of yourself', niets wilden ze hebben. Wanhopig danste je voor je vader Zoekend naar jezelf, terwijl je danste Een beetje wankelend, zachtjes huilend, Als iemand die een drenkeling zoekt In donker water.

Het ging door op school, op de universiteit, waar de 'gifts' ook niet welkom waren, waar Je iets verstoorde dat net vervolmaakt was Dat ze voorzichtig vasthielden (...) En alsof ze een misdrijf meldden aan de politie Lieten ze je weten dat je geen John Donne was. Niemand wilde je dans Niemand wilde je vreemde glinstering - je wankele Verdrinkende leven en je poging jezelf te redden (..) Het raadsel van die haat. (God Help the Wolf after Whom the Dogs Do Not Bark)

Afgrond

Plath en Hughes trouwden snel, zonder getuigen, en brachten hun eerste tijd reizend door Spanje en Italie door, terwijl ze beiden schreven. Plath, wiens Europese wanhoopstocht een van de meest desolate tijden van haar leven had gevormd, klampte zich vast aan Hughes. En trok zich steeds weer terug in haar eigen innerlijke wereld. Die toestand zou ze later beschrijven als The Bell Jar, de stolp. Een onzichtbare, vacuum-kooi om zich heen, waardoor ze de buitenwereld als niet meer dan een vage dagdroom ervoer.

Hughes bekijkt haar als ze op een avond naar de maan staat te kijken, 'De heuvel kleurloos', als een 'omgekeerde dag. Alles/ In negatief. Je masker/Bleek als gesneden ijzer.' Hij vergelijkt haar met de maan zelf, luna, de klassieke muze van de doodslust. Op een dag, zegt hij, zal ik deze figuur begrijpen, deze 'Egyptische zombie', 'dit spreken in tongen tegen een maan-paddestoel'. Intussen ziet hij haar machteloos aan: The doctor who humours, and watches As the patient dies in his care' (Moonwalk).

Elke beweging van de patient, elke gril, wordt gemonitord, elke doodsangst, 's avonds in bed onder een stortvloed van tranen uitgesproken, bezworen. Als een granieten brug probeert hij haar afgronden te overbruggen. Als ze, na een voedselvergiftiging, van koorts denkt te sterven, kookt hij, een instinctieve verpleegster, een grote pan soep. Dan schiet het door zijn hoofd: zou ze overdrijven, zou ze zich aanstellen? 'En ik trok me terug, een beetje maar/ Alleen voor het evenwicht, een beetje maar.' Dan denkt hij aan de wanhoop van in het nauw gedreven dieren, hoe ze letterlijk kunnen bevriezen van angst - en sterven.

You were overloaded. I said nothing. I said nothing. The stone man made soup. The burning woman drank it. (Fever)

Hughes' regels raken je zelden door hun onontkoombaarheid, zoals die van Plath. Ze ademen, met de zucht van willekeur en de kalmte van ambachtsschap - in tegenstelling tot de meest aangrijpende van Plath - benauwend in hun poging de sterren op hun plek te houden met de enig juiste frase. Hughes regels zijn doordacht en afstandelijk, jaren na hun aanleiding geschreven, de absolute tegenpool van haar eigen spontane, uit merg en been gebarste woorden. Wat boeit bij Hughes is de trefzekerheid van de toon. Zijn regels hebben de koele precisie van zijn observaties. Bescheiden en onderkoeld, even dienstbaar bijna als zijn huwelijk.

Birthday Letters leest soms als een poëtische roman, chronologisch, kalm en helder - waarvan alleen de clou om de bladzij wordt weggeven. Want haar graf figureert in de bundel zoals het dat gedaan moet hebben in haar nachtmerries en dagdromen. De schaduw van de toekomst hangt over de regels zoals hij volgens Hughes over haar hing, en hij kijkt toe, gebiologeerd door haar wanhoop, haar pogingen het naderend onheil te bezweren met tekens, gebeden, woorden. En wat hij doet, zegt, troost ze ontglipt, haar eigen wereld in. De wereld van je vader, zegt Hughes. 'Je wilde bij je vader zijn/ Waar hij ook was. En je lichaam/ Blokkeerde je weg.'

Nazi-vader

Er is veel gespeculeerd over de rol van haar vader in Plath's doodsdrang. Zelf schrijft ze de beroemde afrekening Dady, waarin ze haar vader vergelijkt met een nazi. 'At twenty, I tried to die and get back, back, back to your.'

Ergens halverwege Birthday Letters komt er een punt waarop de dokter zich een kwakzalver gaat voelen, een joker, een speelbal van haar vader, een moment waarop elke poging, elk woord om haar te redden haar onvermoed, onbevroed, verder diens graf in drijft, haar eigen graf in. Het blijkt treffend uit The Table, waarin hij een vuistdik tafelblad voor haar maakt om aan te schrijven. Verrukt neemt ze plaats - alleen om de meest morbide teksten uit haar leven te produceren. Hughes: 'Ongelovig zag ik eruit oprijzen (..)/ Je Daddy, die blauwogige gekko (.. / En ik slaapwandelde/ Als een acteur (..)/ Blind door de spiegel/ Alsof de rol op mijn oogleden geschreven stond.'

De laatste negen maanden van haar leven waren de meest productieve. The Bell Jar verscheen, de blauwdruk van de traumatische memoire die in de jaren negentig het meest succesvolle literaire genre geworden is. Ze had het radio-spel Three Women geschreven. De ervaring haar teksten te horen opende een nieuw perspectief: ze begon gedichten te schrijven waarin klank steeds belangrijker werd. Ze schreef de briljante, beurtelings schrille, bijtende, en exultante klanken van Winter Trees, met daarin de Ariel-cyclus.

De belangrijkste grief van de feministische literatuurwetenschap tegen Ted Hughes is dat hij Plath, op het meest productieve moment uit haar carrière, opzadelde en achterliet met twee kinderen. Plath beschouwde kinderen krijgen als artistieke zelfmoord. Haar werk zit vol kinderhaat en kinderangst. Vrijheid, werkelijke vrijheid, voelt ze in The Bell Jar als ze een pessarium aangemeten krijgt. Aan de conceptie en bevalling gingen jaren van getormenteerde twijfel vooraf. In 'Stopped Dead' uit Winter Trees staat ze bovenop de rem, de voorwielen millimeters van een Spaanse afgrond. De zon gaat onder, naast haar zit een man met zeven onderkinnen, het is rood en geel, 'twee hartstochtelijke metalen' (...) With a goddamn baby screaming off somewhere There's always a bloody baby in the air I'd call it a sunset, but Whoever heard a sunset yowl like that?'

Lilith

Maar de geboorte van de eerste was een zegen, schrijft Hughes in Isis, een ruil met de dood: 'Hij mocht je vader hebben en jij kreeg een kind'. 'Het was geen artistieke dood,' zegt hij, die je 'Uit het bloed optilde/ Je armen gevuld/ Met dat wat nooit Dood gekend had.' Wie zal er harder gezocht hebben naar tekens? Wie zal zich vaster geklampt hebben aan het lot, wie zal getracht hebben het te bezweren met zijn eigen leven? Wiens dans was de meest radeloze?Plath's demonen houden Hughes gevangen met hun slangenogen. Als Medusa's kronkelen ze over elke bladzij. Als de kunstenaar Howard Hodgkin een portret van haar schildert, schrikt Hughes wanneer er zich op het doek een kille schaduw aftekent. Later, zwemmend, ziet hij een kleine waterslang, 'glinsterend leven, dreigend en vitaal/ (..) dat zijn stroom richt/ Magnetisch naar - 'Schitterend!'/ Dat riep ik. 'Kijk, Howard, schitterend!/ Zo intens dat het hypnotiseert!' Howard lachte/ Slangen zijn slangen. 'You like it', zei hij,/ 'Omdat het kwaadaardig is. It's evil, so it thrills you.'

Als Hughes haar uiteindelijk verlaat, is het niet voor de secretaresse of de babysitter, niet voor een blonde, blauwogige tiener, maar voor 'Een Duits Israëlisch/Russische met de blik van een demon/ Tussen gordijnen van Zwart Mongools haar' Wie was deze Lilith van abortussen Die het haar van je kinderen streek Met Tijger-beschilderde nagels?

De patiënt die beter wordt verliest de interesse van de dokter. De vrouw die leven schenkt die van de man die de dood zoekt. Morbide fascinatie joeg Hughes zijn huwelijk in. 'Alleen/ Zouden we elk een leven ontmoet kunnen hebben./ Als Siamese tweelingen, elk met/ Een unieke ziel-zucht voor de ander,/ Was elk van ons de speer/ Die de ander doorboorde. Je werk tormenteerde je, zegt Hughes, 'Terwijl ik aan je hing, me met je voedde - zwaar, bedwelmd/ Met jouw nachtmerries en verschrikkingen'.

Als Plath in Daddy korte metten maak met haar vader, dan ook met Hughes zelf, 'the vampire who said it was you/ and drank my blood for a year/ seven years if you want to know'.

Dat Hughes eigen nachtmerries had, bleef intussen onbesproken. Net als hier. Op één gedicht na. In The Lodger lijkt, terwijl Hughes de tuin van hun laatste huis in Devon omploegt, zijn hart het te begeven. 'Vreemd', zegt hij. 'Om mijn hart, terwijl het me aan gort klopt/ Te overpeinzen alsof het een zere kies is/ And yet my heart was me. I was my heart'. Mijn nieuwe project, zegt hij, was een studie van 'alle manieren waarop een hart zijn eigenaar kan doden/ En hoe het mijne mij gedood had. Van dit alles/ Vertelde ik je een twee drie jaar niets. Meanwhile Wie gebruikte mijn hart (..) wie plantte Met mijn onwetende handen Negen rijen bonen? Wie was deze buitenaardse joker?'

Heel deze kalme, doorwrochte bundel ademt voor mij die vraag. De vraag die Plath hem toebijt vanachter het stuur, op de rand van het Spaanse ravijn, terwijl ze in gedachten de auto uitstapt, Gibraltar in, 'living in air, on air' - 'Where do you stash your soul?'

Wie was die joker, die tuinman, die dokter, die redder, de vader van haar kinderen, de meester-timmerman van deze regels? Birthday Letters beantwoordt die vraag niet. Wil hem nog altijd niet beantwoorden.