Studies over wereldmarkt en democratie; De wind uit het Oosten is gaan liggen

Ulrich Beck: Was ist Globalisierung? Suhrkampf, 270 blz. ƒ 36,40

Alain Minc: La mondialisation heureuse. Plon, 260 blz. ƒ 48,-

Wil Hout & Monika Sie Dhian Ho (red): Aanpassing onder druk? Nederland en de gevolgen van de internationalisering. Van Gorcum, 239 blz. ƒ 49,90

De foto toont een groepje studenten dat druk doende is een stapel ballpoints te vertrappen. De studenten komen uit Zuid-Korea, het schrijfgerei uit Japan. De verbeten gezichten laten zien dat dit meer is dan balorigheid. Alles wijst op een magisch ritueel dat onheil moet bezweren. 'Buy Korean' is de leus. Hier wordt een oude rekening vereffend, omdat het met de lopende helemaal niet goed gaat. Zoveel is duidelijk.

Die ene foto bevat een diepe waarheid over een wereld waar geld, goederen, diensten en personen in hoog tempo rondcirkelen. In het beeld is de machteloosheid gevangen die de inwoners van een van de meest geprezen economieën in Azië heeft overvallen, nu de financiële markten Zuid-Korea in een crisis hebben gestort. En machteloosheid zoekt, zoals iedereen weet, een uitweg. De anonieme krachten die de wereldmarkt regeren, moeten een gezicht krijgen: joods, zoals de premier van Maleisië veronderstelt, Japans, zoals de studenten in Korea menen, Chinees wat menig Indonesische burger betreft, of Westers omdat de 'redders' van het IMF en de Wereldbank doorgaans wit en onbuigzaam zijn.

Behalve deze paradox van één 'globale' wereldeconomie in wording en de soms xenofobe nadruk op eigen identiteit, laat de crisis in Azië nog iets anders zien. Het eigenlijke wonder is dat Amerika en West-Europa - vooralsnog, na zeven maanden crisis - nauwelijks worden geraakt door de omvallende domino-stenen in het Verre Oosten. In weerwil van stellingen dat de wereld één geheel is geworden, blijkt de onderlinge afhankelijkheid in de driehoek Amerika-Europa-Azië minder groot dan werd aangenomen. Amerikaanse bedrijven verkopen meer in Italië dan in Indonesië, Thailand, Maleisië, de Filipijnen en China bij elkaar, aldus de Herald Tribune. Afgezien van Japan is de economische verwevenheid met Azië nog niet zo sterk. De mondiale lotsverbondenheid wordt overdreven.

Moderniteit

De Duitse socioloog Ulrich Beck probeert in Was ist Globalisierung? een nadere omschrijving en datering van dit verschijnsel te geven. Hoe nieuw is de internationalisering van de economie eigenlijk? Was het kapitalisme niet al vanaf de vijftiende eeuw een 'wereldsysteem', om met Wallerstein te spreken? Schreef Marx niet in 1848: 'De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt'.En wat te denken van de befaamde stelling van Ernst Jünger begin jaren dertig over een 'totale mobilisering' op wereldschaal?

Ondanks een lange geschiedenis van internationalisering en gedachtenvorming daarover maken we volgens Beck de laatste twintig jaar toch iets nieuws mee. We verkeren in de overgang van de 'eerste' naar de 'tweede' moderniteit.

De eerste periode werd gevormd door de nationale staat, met zijn aan grondgebied gebonden overlapping van economie, bestuur en cultuur. Die tijd ligt nu achter ons. We staan op de drempel van een volgende moderniteit, waarin staat en samenleving elkaar allang niet meer dekken en territorium veel van zijn betekenis heeft verloren. Nieuw is het dagelijkse leven en handelen over nationale grenzen heen; de biografie van mensen wordt steeds grenzelozer. Nieuw is het bewustzijn van deze transnationale samenleving in wording. Nieuw is de ervaring van een ecologische risicomaatschappij op wereldschaal. Nieuw is het enorme aantal transnationale actoren, instituties en verdragen. En nieuw is de mate van economische concentratie en de explosieve groei van informatie- en communicatietechnologie.

Beperken we ons tot de economie, dan valt op die breuklijn tussen twee tijdvakken wel iets af te dingen. De redacteuren van Aanpassing onder druk? zijn preciezer. Zo is er geen sprake van een ononderbroken toename van het grensoverschrijdende verkeer. De internationale economie van vóór 1914 was in aantal opzichten opener dan de huidige. Er is meer continuïteit dan de studie van Beck doet vermoeden.

Bovendien is globalisering vooral regionalisering. Bijna tweederde van de in- en uitvoer van de lidstaten vindt bijvoorbeeld binnen de Europese Unie plaats. Dat geldt ook voor de buitenlandse investeringen. We beleven dus niet het 'einde van de geografie'. De intensiteit van economische vervlechting neemt af naarmate men verder van de eigen grenzen afkomt. Buurlanden zijn nog steeds van wezenlijke betekenis.

En ten slotte pakt de globalisering voor kleinere economieën heel anders uit dan voor grotere, zoals blijkt uit de cijfers voor de export als percentage van het Bruto Binnenlands Product. Als we 1913 en 1992 met elkaar vergelijken dan zijn de cijfers voor Duitsland respectievelijk 26,3 procent en 32,6 procent, voor het Verenigd Koninkrijk 18,3 en 21,4, voor de VS 3,7 en 8,2, voor Frankrijk 7,9 en 22,9 en voor Japan 2,4 en 12,4. Dat zijn op zichzelf geen spectaculaire veranderingen over een eeuw gemeten. Voor een land als Nederland liggen de cijfers heel anders: 17,8 toen en 55,3 nu.

Symbool bij uitstek van de globalisering is de enorme vlucht die het financiële verkeer heeft genomen. Zo groeide het totaal van leningen op de internationale kapitaalmarkt tussen 1970 en 1996 van 5,8 miljard naar 1055,6 miljard dollar. De zogeheten derivatenhandel - bijvoorbeeld opties - groeide nog onstuimiger. In Europa, waar de vrijmaking van de financiële markten van recente datum is, nam de handel in derivaten tussen 1986 en 1993 bijna 140 maal in omvang toe. Toch is die groei niet representatief voor de gehele economie: financieel kapitaal is nu eenmaal bij uitstek zeer beweeglijk, voor handel en investeringen geldt dat minder.

Ondanks deze relativering, heeft Beck gelijk dat in een moderne wereldeconomie de plaatsen waar men investeert, produceert, belasting betaalt en woont steeds minder samenvallen. Nationale staten worden geconfronteerd metondernemingen die flexibel kunnen kiezen voor een plek waar geproduceerd wordt en een plek waar de belastingen het voordeligst zijn. Of ze krijgen te maken met de vlucht van vermogende burgers, die menigeen besmuikt een eenzame oude dag toewenst achter hun hoge hekken in Brasschaat en omgeving.

Protectionisme

Het resultaat van dit alles is dat de opbrengst uit kapitaal de laatste tien tot vijftien jaar enorm is gestegen en de inkomsten uit arbeid nauwelijks zijn toegenomen. Tegelijkertijd is de belastingopbrengst uit inkomen, winst en vermogen aanmerkelijk gedaald. Daarmee komt de nationale staat voor een probleem te staan: de voordelen van de globalisering vloeien weg, terwijl de nadelen sociaal moeten worden opgevangen.

Het oude sociale compromis komt zo onder druk te staan omdat de winnaars van de globalisering niet meer aan één tafel zitten met de verliezers. Mondiale rijkdom en lokale armoede leven langs elkaar heen. Onderlinge afhankelijkheid bestaat steeds minder en dus ook de dwang tot een vergelijk. De loyaliteit jegens de nationale staat, met al zijn voorzieningen en bescherming, neemt zienderogen af.

Welke politieke omgang met de globalisering is dan nog mogelijk? Beck verwerpt het protectionisme in zijn verschillende varianten: 'zwart' (het conservatieve pleidooi voor nationale identiteit), 'groen' (milieubescherming achter de eigen grenzen) en 'rood' (verdediging van de sociale status quo). Ze bieden geen van alle uitkomst. Tegelijk ziet hij beperkte kansen op een politieke ordening die gelijke tred houdt met de economische expansie. Hij hoopt wel op vormen van een 'kosmopolitische democratie', maar zegt ook dat niet veel in die richting wijst.

Het vraagstuk van democratische vertegenwoordiging en maatschappelijke integratie spitst zich in de tweede episode van de moderniteit dan ook toe. Er staat veel op het spel. Want net zomin als de politiek duurzaam het economisch leven kan overheersen zonder tot neergang te leiden (zie de geschiedenis van de plan-economieën), kan de markt het maatschappelijk leven beheersen zonder dat dit leidt tot een ontwrichting, die goedschiks of kwaadschiks wordt gecorrigeerd. De xenofobe reacties in Azië, maar ook in sommige Europese landen, geven een indruk van dat laatste.

De internationalisering kan volgens de Franse ondernemer en essayist Alain Minc in zijn La mondialisation heureuse worden bedreigd door gewelddadige conflicten of door een sociale scheefgroei. De wereldmarkt is geen natuurverschijnsel, maar afhankelijk van stabiele verhoudingen (nationaal en internationaal) die georganiseerd moeten worden. Het lijkt of de politiek achter de economie is teruggetreden. Maar op het moment van openlijke crisis zal het tegendeel blijken. Kortom, de liberale utopie van vreedzame internationale verhoudingen, die voortvloeien uit gedeelde handelsbelangen, kan wreed worden verstoord door sociale of etnische wrok.

Als we ervan uitgaan dat interventies via de Verenigde Naties omstreden blijven en vaak te laat komen - globale politiek heeft bij uitstek een ad hoc karakter - dan is duidelijk dat het risico van oorlogen groot blijft. Daarvoor hoeft men geen aanhanger te zijn van Huntingtons theorie over de botsende bechavingen. En zelfs als de internationale gemeenschap eensgezind optreedt, zoals in de Golfoorlog, dan nog zijn de economische repercussies aanzienlijk.

Alle hier besproken studies wijzen naar 'Europa' als het enige effectieve antwoord op een wereldeconomie die steeds zwaarder weegt. De voornaamste redegeving van de Europese Unie ligt in de enscenering van een dreiging: zonder gemeenschappelijk markt, zonder de ene munt en zonder gecoördineerde handelspolitiek verliest Europa zijn speelruimte. Slechts door Europese eenwording kan soevereiniteit worden uitgeoefend. De invoering van de euro is volgens Minc dan ook een daad van grote politiek.

Hij wil zijn aarzelende landgenoten duidelijk maken dat de wereld in snel tempo verandert, ook al legt de mondialisering van de economie geen nauw omschreven model aan een land op. Ieder land kan zijn eigen sociale contract vorm geven op voorwaarde dat we het realiteitsprincipe omarmen en niet als kinderen de zwaartekracht van de nieuwe wereld ontkennen.

Minc hekelt de tendens om alle sociale problemen in verband te brengen met de globalisering van de economie. Net als Beck laat hij zien dat een groot deel van de werkloosheid van 'eigen makelij' is. Slechts een zeer beperkt deel van de arbeidsmarkt (minder dan tien procent) heeft directe concurrentie te duchten door verplaatsing van de productie. Daarbij gaat het vooral om laaggekwalificeerde arbeid.

De wetten van de mondiale markt behelzen onder andere het volgende: de nationale staat wordt steeds meer tot 'een schakel' in de behartiging van het algemeen belang; de verzorgingsstaat moet worden toegespitst op steun aan hen die werkelijk sociaal worden buitengesloten; de privatisering van openbare diensten, als het spoor en de posterijen, is een onomkeerbare weg; de langdurige werkloosheid van laaggekwalificeerde werknemers kan alleen door veranderingen in het minimumloon worden bestreden en ten slotte is een zekere harmonisering van de belastingstelsels onvermijdelijk.

Minc is somber over het aanpassingsvermogen van Frankrijk. Het land is qua staatsvorm van de Europese omgeving verwijderd. Juist voor een land met zo'n gecentraliseerd bestuur is globalisering een inbreuk van jewelste op oude gewoonten en gedachten. Minc schetst overtuigend de zwakte van de maatschappelijke organisaties in Frankrijk - bijvoorbeeld een vakbeweging die niet meer dan tien procent van de werknemers organiseert. Hij gruwt van de sociale erupties die daar het gevolg van zijn en beseft, met een jaloerse blik naar Nederland, hoe productief een sterk sociaal compromis is.

NederlandOndanks zijn algemene waardering van de politiek, slaagt Alain Minc er echter niet in om de nieuwe rol van de nationale staat overtuigend te omschrijven. Dat deze zijn monopolie heeft verloren als behartiger van het algemeen belang is één ding, maar dat de staat niet meer is dan een 'schakel' in het krachtenveld en een 'pressiegroep' temidden van andere, dat gaat wel ver.

Wel maakt hij aannemelijk dat de staat in die hoedanigheid van pressiegroep een groot belang heeft bij binnenlandse consensus. En zo wordt duidelijk dat de druk van de globaliserende economie de speelruimte voor democratische meningsverschillenm verkleint. Regeringen gebruiken die druk van buiten als middel om zich tegen belangengroeperingen in eigen land af te zetten.

Volgens Minc is er binnen de grenzen van de mondiale markteconomie wel degelijk een variatie mogelijk tussen een links- en rechts-liberalisme. Over zijn eigen voorkeur laat hij zich niet uit. Maar hij wil dat rechts in Frankrijk het 'sociaal-corporatisme' verlaat en dat links zich losmaakt van de klassieke sociaal-democratie. Dat laatste betekent geen keuze voor een angelsaksische maatschappijvorm. Hogere belastingstarieven kunnen worden verzoend met een op concurrentie gerichte economie. En opnieuw kijkt hij naar Nederland.

Internationalisering is zeker voor de kleinere staten in Europa geen nieuw vraagstuk. Met pleidooien voor internationale rechtsorde en vrijhandel heeft Nederland altijd geprobeerd om een deugd te maken uit de nood een betrekkelijk kleine handelsnatie te zijn. Van Hout en Sie Dhian Ho concluderen in Aanpassing onder druk?: 'De recente internationalisering betekent voor Nederland geen wezenlijke breuk ten opzichte van het verleden'.

Dat wil niet zeggen dat Nederland verder de zegeningen van zijn 'poldermodel' kan gaan tellen. Uit de bundel wordt duidelijk dat de invloed van de wereld zich verder zal doen gelden. Zo schrijft Flip de Kam over de erosie van belastingheffing in een steeds mobielere economie. De periode na 1980 laat zien dat het aandeel van de belastingen op inkomen, winst en vermogen op het totaal van de belastingopbrengst is afgenomen: van 59% in 1980 tot 46% in 1997. Het commentaar van De Kam: 'een onbevangen waarnemer krijgt soms de indruk dat internationale belastingsconcurrentie wel erg goed van pas komt in de kraam van diegenen die de - overigens per saldo geringe - herverdelende werking van ons belastingstelsel verder willen beperken'. In sommige opzichten is het klimaat hier zelfs soepeler dan elders: 'Zo behoort ons land tot de weinige industrielanden met een onbeperkte (hypotheekrente)aftrek en belasten tal van andere landen de vermogenswinst die wordt behaald bij vervreemding van effecten en onroerende zaken'.

Een van de conclusies van de bundel Aanpassing onder druk? is dat een hoge mate van economische openheid samenhangt met de aanwezigheid van dempende 'intermediaire structuren'. Zo hebben nationale tradities en instituties aanmerkelijke invloed op de manier waarop wordt gereageerd op de internationale omgeving. Het 'poldermodel' betekent dat een hoog niveau van sociale bescherming, redelijk strenge milieuwetgeving en aanzienlijke belastingdruk gepaard kunnen gaan met een versterking van de internationale concurrentiepositie. Dit loochenstraft de simpele gedachte dat wereldwijde concurrentie als een neerwaartse spiraal alles wegvreet wat afgelopen vijftig jaar moeizaam is opgebouwd.

Net als Ulrich Beck, die schrijft dat transnationale staten ook sterke staten moeten zijn, stelt Koen Koch in de bundel: 'Feit is echter dat succes in een internationaliserende wereldeconomie dikwijls juist staatsinterventie vereist'. Staatsvorming en internationalisering zijn hand in hand gegaan. Dat hij kort geleden nog schreef over 'de ontmanteling van de nationale staat als een onomkeerbaar proces' zullen we hem maar niet teveel nadragen.

Nationale elite

Het lijkt alweer eeuwen geleden dat deze krant een gesprek afdrukte van een bezorgde 'nationale elite' die de vaderlandse economie wilde redden. We waren benieuwd. Aan tafel zaten onder meer Timmer van Philips, Wijffels van de Rabobank en Bolkestein van de VVD. Over één ding waren ze het in het voorjaar van 1994 wel eens: de Nederlandse economie maakte, in de woorden van de immer alerte Timmer, 'een monumentale crisis' door. Elders dáár gebeurde het, dáár was de echte dynamiek aan te treffen.

De volgende woordenwisseling ontspon zich toen: Timmer: 'Wat zijn volgens jou de afgelopen twintig jaar de meest succesvolle industriële landen geweest?'. Bolkestein: 'Zwitserland'. Timmer: 'Ik wil liever Japan noemen. En Taiwan, Korea, Singapore, Duitsland, Frankrijk. Dat zijn allemaal voorbeelden van landen waar een nationaal richtingsgevoel bestaat'.

Nee, het blijkt niet eenvoudig om de gang van de wereldeconomie te voorspellen. Zeker is wel dat vrijwel iedereen in ondernemerskring blind achter het Aziatische wonder is aangerend. Die keuze was een privaat risico. Ernstiger is dat ze de instituties en ondernemersmoraal van deze landen aan ons deel van de wereld ten voorbeeld stelden. Het 'Rijnlandse model' van concurrentievermogen, sociale bescherming en permanent overleg had volgens hen afgedaan. Die keuze was een publiek risico.

Oog in oog met de plotselinge neergang van een aantal Aziatische economieën is het nu stil geworden. De 'monumentale crisis' voltrekt zich namelijk elders. Deze landen zullen zich vast op enige termijn herstellen, maar de dreiging uit het Oosten zal niet meer zo massief zijn als werd voorgesteld. Opeens blijkt dat de autoritaire modernisering in Azië op zijn grenzen is gestoten. Een moderne markteconomie gaat niet samen met wijdverbreide corruptie, kan niet gedijen in een klimaat waar overheid en bedrijfsleven een symbiotische verhouding zijn aangegaan en waar de nieuwe middenklasse onmondig wordt gehouden. De institutionele en morele voorwaarden van een functionerende markt zijn plotseling zo duidelijk, dat de wind niet meer van Oost naar West waait. De chantage lijkt uitgewerkt.

Sommigen voorspellen het einde van de democratie in een globaliserend economie. Toch moet men voor ogen houden: zonder sterke instituties en zonder democratische moraal zal de globalisering in crisis en conflict eindigen, zoals aan het begin van deze eeuw. Vallen die waarborgen weg, dan zal het niveau van internationale handel en investering weer inzakken. Anders gezegd: ook het laissez-faire moet worden gepland. Zonder gedeelde beschaving en vertrouwen is een gemeenschappelijke markt op den duur onmogelijk. De wereldbol is breekbaar. De pennendans van de studenten in Korea deed dat al vermoeden.