Prenten krijgen digitaal leven

Tentoonstelling: Ornament in prent. T/m 19/4 in het Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum, Amsterdam. Geopend: ma. t/m zo. 10-17 uur.

AMSTERDAM, 6 FEBR. Steeds meer musea blijken deelcollecties te digitaliseren. Bij de tentoonstelling Ornament in prent, nu in het Amsterdamse Prentenkabinet te zien, verschijnt bijvoorbeeld niet alleen een bestandscatalogus, maar ook een CD ROM. Daarmee wordt het geïnteresseerden mogelijk gemaakt sneller en doeltreffender dan ooit tevoren informatie op te zoeken.

De collectie van ruim twaalfduizend ornamentprenten van het Prentenkabinet blijkt op CD ROM te zijn gezet door het Rotterdamse bedrijf Sound & Vision Interactive. Datzelfde bedrijf houdt zich ook al geruime tijd bezig met een veel groter project: 'De Hollstein'; een omvangrijk standaardwerk over prentkunst, waarbij inmiddels de 'digitalisering' eveneens haar intrede gedaan.

Nog maar zes boeken, en dan zal Hollsteins Dutch & Flemish etchings, engravings and woodcuts 1450-1700 zijn voltooid. Het eerste deel van dit standaardwerk over de Nederlandse en Vlaamse prentkunst verscheen in 1949. Het laatste, het vierenvijftigste deel zal nog een jaar of drie op zich laten wachten. Uitgever Aad Hofman zal het woord 'voltooid' echter niet snel in de mond nemen. De eerste delen van de reeks zijn immers alweer aan revisie toe. Hofman: “En daarnaast wordt al vanaf 1954 gewerkt aan een reeks over Duitse prentkunst die nu bij deel 44 is aangeland. Daar moeten nog zo'n 30 delen van worden voltooid.”

De laatste twee delen die gereed kwamen, hebben betrekking op de omvangrijke produktie van Hans Vredeman de Vries (1527-1606). Hij ontwierp tuinen, doolhoven, vestingwerken en ornamenten en publiceerde ook nog studies op het gebied van perspectief en architectuur. Alle prenten waarvan hij zich 'inventor' mocht noemen, zijn zo mogelijk op ware grootte afgebeeld in de Hollstein-delen 47 en 48. De prenten zijn zorgvuldig gedocumenteerd en voorzien van literatuurverwijzingen. Wie het complete grafische oeuvre van Vredeman de Vries in huis wil hebben, zal daar twaalfhonderd gulden - zeshonderd per deel - voor neer moeten tellen. Hofman erkent dat zo'n bedrag wat begrotelijk is voor gewone kunstliefhebbers. “Maar er zijn wereldwijd genoeg musea, wetenschappelijke instituten en bibliotheken die de reeks afnemen.” Daarnaast is er nog belangstelling van de kunsthandel. Veelzeggend is dat F.W.H. Hollstein, de initiator van de reeks, zelf veilinghouder te Berlijn was. In 1937 - zijn vrouw was joods - zag hij zich genoodzaakt naar Nederland te emigreren. “En daarmee is het hele project in Nederlands vaarwater terecht gekomen”, aldus Hofman. Hollstein overleed in 1957. Inmiddels had het Rijksmuseum de reeks onder haar hoede genomen en raakten verschillende auteurs betrokken bij het project.

Een complicerende factor bij het catalogiseren van prenten is dat het niet altijd mogelijk is één auteur aan te wijzen. Sommige kunstenaars lieten het graveren of uitgeven aan derden over, waarmee de prenten dus verschillende auteurs kregen. Vredeman de Vries heeft niet één van zijn eigen prenten gegraveerd. Maar zijn aandeel als ontwerper wordt door de samenstellers belangrijker geacht als dat van de graveurs. “Daarom hebben we hem beschouwd als de auteur.”

Hofman betoogt dat zulke catalogiserings-kwesties overbodig worden gemaakt door nieuwe technieken. “In een boek word je gedwongen prenten op één manier te rangschikken: meestal op alfabet. De computer maakt het mogelijk prenten op de meest uiteenlopende criteria te ordenen: op ontwerper, graveur of uitgever, maar bijvoorbeeld óók op formaat, onderwerp of jaartal.”

Digitalisatie is het sleutelwoord in Hofmans betoog. Hij legt het procédé geduldig uit. “Bij een normaal fototoestel komt het plaatje op een negatief terecht; bij het digitale proces wordt de afbeelding rechtstreeks opgeslagen in de computer. Het oude procedé van ontwikkelen, afdrukken en scannen dat vroeger nodig was om een foto te publiceren wordt in feite overbodig gemaakt. Als de opnamen van prenten eenmaal in de computer zijn opgeslagen, kun je er van alles mee doen; een boek maken of een CD-ROM. Of het beschikbaar stellen op Internet.” In een op computer-leest geschoeid jargon schetst Hofman geestdriftig een digitale toekomst waarin prenten beter 'ontsloten' zullen worden.

Hoewel het Prentenkabinet de CD-ROM inmiddels uitprobeert, bespeurt hij bij veel andere musea koudwatervrees. “Er wordt wantrouwend naar nieuwe technieken gekeken. En dat terwijl de mogelijkheden echt heel groot zijn. Niet alleen bij het catalogiseren, maar bijvoorbeeld ook bij detailvergroting. Je kunt straks op elke prent inzoomen.” Maar kan Hofman zich dan niet voorstellen dat liefhebbers van prenten zo'n computerscherm als kil zullen ervaren? “'Tja, op zo'n screen mis je de paper touch natuurlijk wel. Dat wil ik best toegeven.”