Onder de oppervlakte loert het gevaar

Geertrui Daem: Zotverliefd. Prometheus. 216 blz. ƒ 24,90

De verhalen van Geertrui Daem gaan over min of meer gewone mensen en over hun omgang met elkaar, over verstandhoudingen dus. Haar losse, bijna achteloze manier van vertellen geeft het prettige gevoel nauwelijks met verzonnen verhalen te maken te hebben, maar eerder met een soort natuurverschijnselen. Daems verhalen wekken de indruk er eenvoudig te zíjn, en er altijd al te zijn geweest. Ze hoefden alleen nog maar even te worden vastgelegd, zo lijkt het. Uitsneden uit het dagelijks leven, verbazingwekkend licht en luchtig van toonzetting, maar met een dramatische onderlaag. Onder de oppervlakte van het alledaagse verkeer tussen ouders en kinderen, tussen vriendinnen, zussen, mannen en vrouwen loert het gevaar. Onbegrip, eenzaamheid, waanzin, zelfmoord, dat zijn enkele van de motieven in haar werk.

In het eerste verhaal uit Zotverliefd, haar vierde verhalenbundel alweer sinds zij in 1992 met Boniface debuteerde, geeft Daem een tragikomische indruk van de frontaal botsende werelden van kinderen en volwassenen, vooral op seksueel gebied. Komisch is onder meer de plastische wijze waarop een vroegwijs jongetje van zeven aan zijn even oude buurmeisje uitlegt hoe kinderen verwekt worden. 'Ze stampen het erin', zegt hij tegen het onthutste meisje, dat altijd had gedacht dat Jezus voor de kinderzegen verantwoordelijk was. 'Terwijl ze in bed liggen. Bloot. Bovenopeen.' Tragisch is vervolgens hoe de twee argeloze kinderen er door de moeder van het meisje van worden beschuldigd 'vuile manieren' te hebben gedaan, omdat ze zoiets uit hun kinderconversatie meent te hebben opgevangen. De zaak escaleert nog verder als de vader zich er 's avonds mee gaat bemoeien en het arme kind kokend van woede vraagt wat haar vriendje precies met haar heeft gedaan. 'Heeft hij tussen uwe benen gezeten? Met zijn handen? Met zijn tong? Met zijn vorte fluit of met nog smeriger dingen?' In zijn opwinding suggereert hij dat het bij deze ene keer wel niet gebleven zal zijn en dat ze het al veel vaker en ook met anderen gedaan zal hebben en dat ze dus een hoer is, die later nooit meer fatsoenlijk aan de man zal komen.

Het overkoepelende thema van Zotverliefd moet wel zijn dat 'de liefde', tussen buurkinderen, maar ook tussen oudere, echte geliefden, bedreigd en uiteindelijk ondermijnd wordt door de wrede werkelijkheid, die aan alle sprookjes een einde maakt. Het meisje uit het titelverhaal dat 'zotverliefd' is op haar vriend, ziet haar mooie toekomstverwachtingen in rook opgaan als hij echt 'zot' wordt en met spoed afgevoerd naar een inrichting. De prille liefde begeeft het al na het eerste bezoek aan het psychiatrisch tehuis waar haar vriend, stram van de medicijnen, een heel ander persoon blijkt te zijn geworden.

Er is een zekere thematische verwantschap met het werk van Kristien Hemmerechts, dat ook altijd over menselijke betrekkingen gaat. Meestal wordt dit soort werk bij gebrek aan een beter etiket realistisch genoemd. Maar waar het bij Hemmerechts iets meer de sociologische kant opgaat, bedrijft Daem eerder een soort psychologisch realisme. In hun manier van vertellen is er ook wel iets gemeenschappelijks: korte zinnen, veel dialoog, een directe en ontwapenende schrijfwijze, al lijkt mij Daems stijl iets soepeler en gevarieerder dan die van Hemmerechts.

In stilistisch opzicht moest ik ook regelmatig denken aan schrijvers als Leo Pleysier, Eriek Verpale en Hugo Claus. Als de stijl van Daems ergens door getypeerd kan worden, dan is het wel door zijn onbekommerde Vlaamsheid. Zij schrijft een ongeassimileerd soort Vlaams dat zich nauwelijks iets gelegen laat liggen aan het Algemeen Beschaafd. Misschien is het wel een zelfgeschapen kunsttaal, vergelijkbaar met wat Claus beoefende in Het verdriet van België. Maar wat het ook is, het is mooi en welluidend en het klinkt authentiek. Sinds ik Zotverliefd heb gelezen, willen woorden als 'kloefletters' (hoofdletters), 'afbollen' (weggaan), 'uitsteken' (uitspoken), 'gestuikt' (gedrongen), 'doom' (stoom, damp), 'fezelen' (smoezen), 'hypothekeren' (ondermijnen) en 'Zondag' (zakgeld) niet meer uit mijn hoofd. Maar het zit hem niet alleen in leuke of bijzondere woorden. Het zijn vooral ook de soepele zinnen en de prikkelende formuleringen, die bijdragen aan de algehele sappigheid van de bundel. Zoals kleine kinderen om op te eten kunnen zijn, zo wekken ook deze verhalen door hun zintuiglijkheid in hoge mate de eetlust op, niet in de laatste plaats trouwens omdat er regelmatig sprake is van eten en drinken. ''k Verhang mij naar een Zip', zegt een klein meisje, als ze likkebaardend naar de snoepuitstalling van een krantenkiosk staat te kijken.

Hoe kommervol de lotgevallen die Daems hier opdist ook mogen zijn (een kind dat voor hoer wordt uitgemaakt, een geesteszieke jongen die nooit een vaste vriendin zal krijgen, een in de steek gelaten vrouw die pillen inneemt), ze worden stuk voor stuk op smaak gebracht met levendig en beeldend taalgebruik. Aandoenlijk, maar tegelijk ook erg vermakelijk is de poging van een twaalfjarige om haar kleine zusje ervan te overtuigen dat de nieuwe minnaar van hun moeder, een geduchte concurrent in de liefde tenslotte, een ongemanierde kerel is, een soort reus eigenlijk: 'Onze kleine croissantjes, vanuit het vriesvak, die steekt hij - sloek - zo in één keer in zijn grote oven. Hij heeft er geeneen overgelaten.' Geertrui Daem laat het geworstel zien van jonge en al wat oudere mensen om zich in het leven staande te houden. Het grote geluk lijkt voor niemand weggelegd, omdat er altijd en overal tegenkrachten opduiken die de illusies verstoren. Onbehaaglijke verhalen dus, die niettemin een groot welbehagen weten op te wekken.