Neerslachtigheid en gemopper in onttakelde villa

Voorstelling: Tussen ons gezegd en gezwegen, van Oscar van Woensel, door Dood Paard. Spel: Kuno Bakker en Oscar van Woensel. Gezien: 3/2 Toneelschuur, Haarlem. Van 4 t/m 6/3 in Utrecht en van 17 t/m 21/3 in Amsterdam. Inl. (020) 423 40 04.

Toneelfiguren komen meestal goed uit hun woorden, in tegenstelling tot gewone mensen. Wij hakkelen en stamelen maar wat, en hoe nijpender de situatie, des te meer onze taalbeheersing het laat afweten. Het keurig verzorgde Nederlands in bijvoorbeeld Karst Woudstra's recente drama Stilleven komt mij merkwaardiger voor dan het verbale geklungel in het nieuwe stuk van Oscar van Woensel.

De twee broers in Tussen ons gezegd en gezwegen converseren vanuit hun versleten fauteuils stroef en tergend langzaam. Zinnen blijven onaf; er vallen lange stiltes en zelfs een simpel gezegde als 'waar blijft de tijd' komt knarsend en knijpend naar buiten. Sinds de dood van hun ouders, tien jaar geleden, hebben de broers elkaar niet meer gezien, en de afspraak is dat ze elkaar na deze ontmoeting wéér een decennium lang zullen mijden. De ouderlijke villa, leegstaand maar niet verkocht, biedt weinig huiselijkheid en als dat wel zo geweest was, zou het ook weer niet goed zijn.

Want aan 'thuis' en 'vroeger' bewaren de twee in die onttakelde villa zulke nare herinneringen dat ze er met geen woord meer over willen spreken. Ook niet na één, twee, drie fikse borrels. Het is alsof Van Woensel traditionele psychodrama-auteurs à la Karst Woudstra openlijk tart. Waar zij hun personages wodka en whisky laten drinken om ze aan het praten te krijgen, daar laat Van Woensel ze zuipen opdat ze nog harder dichtslaan. Met het alcoholpromillage in hun bloed stijgt de weerzin van Bram en Bart om elkaar überhaupt informatie te verstrekken; de lijst van onderwerpen die ze taboe verklaren wordt steeds langer en hun gevraag steeds radelozer.

'Leef je een beetje modebewust?' wil de ene broer van de ander weten, en: 'Geef jij je kinderen een computer?' Zo, zeurend en neuzelend en woede met moeite onderdrukkend, houden zij het gesprek dat geen gesprek is gaande: tegen het afscheid zien ze nog meer op dan tegen het ontwijken van alweer een impertinente vraag. Hun psychiater heeft hun geleerd niet depressief te zijn maar 'te verachten en te negeren', en dat gedrag brengen zij hier aardig in praktijk. Wat hun neerslachtigheid natuurlijk alleen maar vergroot.

Bij het gemopper van zijn hoofdpersonen over artsen en ziektes, over mode en media, vrouwen, kroost en wat niet al liet Van Woensel zich waarschijnlijk inspireren door de vernieuwende, niet in de psychoanalytische traditie staande toneelschrijver Thomas Bernhard - alleen zijn de verbitterde oude mannetjes van Van Woensel nog maar dertig. Zo oud zal ook Oscar van Woensel zijn en als hij met Bram of Bart of allebei tegelijk een zelfportret neerzet is dat geen flatterend portret. De tweeling Bram en Bart is namelijk kunstenaar en Bram, gespeeld door Van Woensel himself, beweert met aplomb dat hij het in zijn kunst nergens over wil hebben.

Van Woensel is zelf zo begonnen: als een zich kunstenaar noemend persoon die niets te zeggen had. Samen met de andere leden van het toneelgezelschap Dood Paard straalde hij op het podium vooral verveling uit. Maar sinds hij zelf stukken schrijft - ook voor andere gezelschappen, zoals voor Toneelgroep Amsterdam onlangs het lekker anarchistische Herkules - sindsdien is er zoiets als humor bijgekomen.

Hoe verveeld Bram ook in zijn nek zit te krabben, echt vervelend wordt Onder ons gezegd... niet. De bij vlagen geestige tekst, de pauzes met onverhoedse muziek, de strak ingestudeerde mime-nummertjes tussendoor, de lijpe grimlach van Van Woensel en het gehinnik van medespeler Kuno Bakker: dat is alles bij elkaar net voldoende om de op de loer liggende monotonie te doorbreken.