Met of zonder Cézanne; De geldzorgen van OCW en de ambities van de Vereniging Rembrandt

Gisteren werd bekend dat staatssecretaris Nuis niet genoeg geld tot zijn beschikking heeft om een schilderij van Cézanne als nationaal cultuurbezit te behouden. De voorzitter van de Vereniging Rembrandt bepleit een onafhankelijk nieuw fonds voor Nederlands kunstbezit.

Staatssecretaris Nuis (Cultuur) komt niet over de brug voor het behoud van een van de drie schilderijen van Paul Cézanne in het Nederlands openbaar kunstbezit. Het gaat om Landschap bij Aix met de “Tour de César”, een werk uit 1895 dat in langdurig bruikleen berust bij het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. De eigenaresse wil het schilderij van de hand doen, maar het valt onder de Wet behoud cultuurbezit (WBC) op grond waarvan verkoop naar het buitenland kan worden verboden.

De WBC stelt de Staat in de gelegenheid het werk dan over te nemen van de eigenaar. Dit is al direct een probleem gebleken. Nuis wees de aanvankelijke vraagprijs van tien miljoen gulden af. Daarop werd krachtens de WBC het geval voorgelegd aan de rechtbank in Den Haag. Deze stelde na raadpleging van een Frans expertisebureau vorige maand de verkoopprijs vast op zeven miljoen dollar, zeg veertien miljoen gulden. Nuis had aanvankelijk ingezet op zeven miljoen gulden, dus pakweg de helft. Daarvan zou al direct twee miljoen van externe kunstfondsen moeten komen.

Voor de aanvankelijk benodigde vijf miljoen van de overheid was al geen voorziening beschikbaar. De WBC wordt zoals dat heet niet afgedekt in de Rijksbegroting. Nuis is daar op zichzelf niet rouwig over. Tot dusver zijn we er nog altijd uitgekomen met behulp van onderuitputting van begrotingsposten en bijdragen van particuliere fondsen zoals de Vereniging Rembrandt. Het is de vraag of dat recept ook opgaat voor de Cézanne. De Raad voor Cultuur heeft vurig gepleit de Cézanne voor Nederland te behouden. Vanwege de invloed van zijn oeuvre op Nederlandse meesters als Mondriaan en Van Doesburg verdient het oeuvre van Cézanne een “centrale plaats” in het openbaar kunstbezit van ons land. De museumwereld hikte echter aan tegen het benodigde bedrag. Er zou eerder iets moeten worden gedaan aan fondsvorming, vindt men.

Ook de Vereniging Rembrandt dringt daarop aan, zegt de nieuwe voorzitter mr.J.M.Boll, lid van de Raad van State. Zijn organisatie is bereid een half miljoen gulden bij te dragen aan de Cézanne. Dat is bijna eenderde van het jaarlijks budget. De vereniging heeft als stelregel dat zij nooit meer dan 50 procent van een aankoop subsidieert. Dat gaat echter allang niet meer op voor topwerken die topprijzen doen. Dan is tegenwoordig een bijdrage van 15 tot 30 procent al mooi. Hoog tijd voor een nieuw initiatief.

In een brief aan de Tweede Kamer erkende Nuis onlangs dat het functioneren van de WBC niet afhankelijk mag zijn van het steeds weer vinden van incidentele financiële middelen. In de laatste Troonrede verklaarde koningin Beatrix dan ook: “teneinde belangrijke kunstwerken voor Nederland te behouden en te verwerven wordt een begin gemaakt met een aankoopfonds”. Dat is echter eenvoudiger gezegd dan gedaan. Om te beginnen betekent de omstandigheid dat fondsvorming officieel is verheven tot regeringsbeleid nog niet automatisch een concrete begrotingspost. Er is tot op heden nog geen geld vrijgemaakt.

De aankondiging in de Troonrede gaat letterlijk genomen bovendien verder dan alleen de WBC, die zich beperkt tot het in Nederland houden van belangrijke cultuurobjecten, en omvat ook verwerving in het buitenland. Dat vraagt om een afzonderlijke regeling. Een derde complicatie vormen de aankoopbudgetten van de musea. Deze zijn al ruim tien jaar op hetzelfde niveau gebleven zonder rekening te houden met de stijgende marktprijzen, zo blijkt uit een recent onderzoek van het Instituut voor onderzoek van overheidsuitgaven (IOO).

Successierecht

Nuis noemt dit beeld van dalende aankoopbudgetten overigens “eenzijdig”. Allerlei incidentele financieringsbronnen zijn toegenomen en hebben volgens de bewindsman zelfs “feitelijk tot enige verruiming van aankoopmiddelen geleid”. Op dit stuk is in elk geval niets van hem te verwachten. Kwaliteitsverbetering van de Collectie Nederland dient eerder te komen van betere samenwerking tussen musea, onderlinge ruil en bruiklenen. De bewindsman wijst verder nadrukkelijk op het belang van particuliere bijdragen. Nuis heeft zich dan ook ingespannen voor de donation en lieu, het betalen van successierechten in de vorm van voorwerpen van cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang aan de Staat.

Andere landen zoals Frankrijk en Groot-Britannië hebben zo'n regeling al langer. Ook Nederland kent een precedent. In 1912 werd een speciale wet gemaakt tot vrijstelling van successierecht voor de overdracht van 53 schilderijen uit de collectie-Hoogendijk aan het Rijksmuseum. De erflater was het jaar tevoren overleden in een kranzinnigengesticht. Het was de verzamelaar die het Landschap bij Aix met de “Tour de César” naar Nederland bracht.

Als gevolg van het pragmatische belastingplan van staatssecretaris Vermeend (Financiën) is de Successiewet vorig jaar zo gewijzigd dat erfgenamen van verzamelaars successierechten kunnen voldoen in natura. Een korting van 20 procent op de verschuldigde successie moet hen aanmoedigen deze weg te kiezen in plaats van een voordelige veiling in het buitenland. Het dient wel om belangrijke werken te gaan. Om misbruik tegen te gaan wordt een adviescommissie ingesteld. Maar die is er nog niet, zodat de nieuwe regeling nog niet is ingegaan. Vorig jaar is al wel de schenking van kunstwerken in termijnen aan een museum fiscaal vereenvoudigd (de zogeheten lijfrente in natura).

Ook de Vereniging Rembrandt mikt op vermogende particulieren (alsmede het middelgrote bedrijfsleven) in het kader van een ambitieus vijfjarenplan. Het fonds wil verdubbelen, zowel wat betreft het aantal leden (ruim 4000) als het jaarbudget (ƒ 2 miljoen). “De particuliere vermogensvorming is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt”, noteert Boll: “dat brengt verantwoordelijkheid mee”. Zeker nu de Europese eenwording de betekenis van het onderhouden van de nationale culturele identiteit steeds groter maakt.

Ook de Vereniging Rembrandt maakt zich zorgen over de fondsvorming, maar legt de prioriteit niet bij het wettelijk cultuurbehoud. Dat de WBC geen eigen budget heeft, heeft volgens Boll ook een voordeel: flexibiliteit. Als men uitgaat van de reële waarde van de beschermde kunstvoorwerpen is een fonds al gauw inadequaat en vormt het juist een beperking om het recht op behoud uit te oefenen. Daartoe is de overheid namelijk nooit verplicht. “Een niet in geld uitgedrukte verantwoordelijkheid” is volgens Boll dan ook op zichzelf te prefereren.

Verlengstuk

Wel is het hoog tijd voor een Nationaal fonds Nederlands kunstbezit. Dat zou zowel uit publieke als private bronnen moeten worden gevoed en ook door derden moeten worden bestuurd. Geen verlengstuk van de centrale overheid. Er is zeker 50 tot 100 miljoen gulden nodig, denkt Boll, gezien de dubbele doelstelling: niet alleen behoud maar ook aanvulling. Als een voorbeeld van dit laatste noemt hij de verwerving in 1994 van het laatste monumentale werk van Meindert Hobbema (1638-1709) dat nog beschikbaar was, Boslandschap met boerenhoeven (Mauritshuis, Den Haag).

Er worden ook kansen gemist. Zojuist werd een Vaandeldrager van Johannes Verspronck (1597-1662) op een veiling in Londen voor de neus van Rijksmuseum (dat al zo'n schattig meisjesportret van hem heeft) en Mauritshuis door het Gettymuseum in Californië voor bijna zeven miljoen weggekaapt. Tegen zo'n puissant-rijke instelling valt toch nooit op te bieden? “Dat staat nog te bezien”, zegt Boll. Schilderijen komen soms ook terug op de markt.

De ambities van de museumwereld gaan overigens verder dan het terughalen van oud-Hollandse meesters. “Evenzeer ontbreken sleutelwerken van oudere buitenlandse kunst met een zinvolle relatie tot de Nederlandse kunst en cultuur. Topwerken van Poussin, Turner en Constable, Delacroix en Ingres worden in de Collectie Nederland node gemist en maken dat onze musea hun opdracht onevenwichtig realiseren”, heet het in een reactie op het IOO-rapport.Ook de opdracht objecten voor Nederland behouden krijgt in het kader van het voorgestelde fonds een nieuwe inhoud. In het geval van de Cézanne zou het volgens Boll leiden tot een “ruimere afweging”: Is deze inderdaad zo belangrijk voor Nederland of is elders wat anders te krijgen? Hoofdzaak is volgens de voorzitter van de Vereniging Rembrandt om nu in goede tijden geld te reserveren voor slechte. De Troonrede opent de mogelijkheid. Maar de moeite die Nuis heeft om geld los te krijgen voor alleen al de WBC-poot van een fonds spreekt voorlopig boekdelen.