Kunstvezels

Ruim honderd jaar nadat voor het eerst langs industriële weg, dus kunstmatig, vezels werden geproduceerd waaruit garens en weefsels waren te maken lijkt het voornaamste nieuws op het gebied van textielvezels dat Akzo opnieuw investeert in de productie van half-synthetische vezels op basis van cellulose. Dus zoals de oude kunstzijde van de Algemene Kunstzijde Unie. Maar Akzo's nieuwe 'NewCell' wordt volgens een milieuvriendelijker proces bereid dan het oude viscose en is vooral bedoeld voor luxere, ja zelfs sexy kleding. Zoals damesmantelpakjes.

Voor het overige lijkt het belangrijkste nieuws op het gebied van kunstvezels dat zich daarin geen spectaculaire ontwikkelingen voordoen. Het half-synthetische viscose dat rond 1890 op de markt kwam houdt zich nog staande op zo'n 6 procent van de wereld-vezelconsumptie die, naar gewicht gemeten, nog voor de helft uit katoen en wol bestaat. In de volledig synthetische vezels domineren polyester en polyamide (nylon) met een marktaandeel (in 1992) van 21 en 10 procent.

De geschiedenis van de kunstvezels laat zich reduceren tot de komst van polyamide (PA, nylon-6.6 en nylon-6) in de jaren dertig, de komst van polyacrylonitril (PAN, orlon) in de jaren veertig, polyester (PETP, polyetheenterephtalaat: terylene, dacron, terlenka) in de jaren vijftig en polypropeen (PP) in de jaren zestig. Daarna zijn er nauwelijks op enige schaal nieuwe vezels voor kledingtextiel (dus afgezien van tapijten, gordijnen en meubels) in gebruik genomen. De sensationele nieuwe vezels als Kevlar (DuPont), Twaron (Akzo) en Dyneema (DSM) kennen voornamelijk technische toepassingen.

Al 35 jaar worden vrijwel geen andere polymeren voor kleding gebruikt dan de vier genoemde vezeltypen die de markt vrijwel hermetisch afsluiten. De vezels worden geproduceerd door enorme bedrijven die ten volle van de 'economy of scale' profiteren en ook moeten profiteren want er is, gezien de voorkeur voor het goedkope polyester boven het duurdere polyamide (nylon), kennelijk behoefte aan goedkope vezels. Wat dat betreft kan het verbazing wekken dat het nog goedkopere polypropeen zo aarzelend doordrong in de top vier.

Zoals een woordvoerder van DSM het uitdrukt: het is een kleine moeite om een chemisch nieuwe vezel te produceren, maar elke nieuwkomer ziet zich geconfronteerd met die enorme rijstebrijberg van bedrijven die in hoge productiviteit geïnvesteerd hebben. Alleen heel grote ondernemingen kunnen proberen nieuwe vezels op de markt te brengen. Shell heeft aangekondigd een fabriek voor een nieuwe soort polyester (polytrimethyleenterephtalaat, voorlopig alleen voor tapijten) te gaan bouwen.

DSM probeert de markt op te komen met de nieuwe nylonsoort Stanyl (nylon-4.6) die voor beschermende kleding als motorpakken aantrekkelijk is. Vooralsnog is de kostprijs van Stanyl, door de geringe omvang van de productie, nog bijna een factor tien te hoog.

Liever dan te kiezen voor een ander polymeer hebben de producenten van kunstvezels gekozen voor optimalisatie van hun processen en voor verandering en verbetering van de vorm en structuur van de vezels. Er kwamen holle vezels, geprofileerde vezels (op doorsnede driehoekig of stervorming), bicomponent vezels en zogenoemde microvezels. Spectaculaire gebruikswinst hebben ze niet opgeleverd, al brachten de holle vezels een slaapzakvulling die het beroemde eiderdons inmiddels in kwaliteit evenaart of overtreft. Met de microvezels, zoals het Sympatex van Akzo, zouden, zegt een woordvoerder van TNO-Industrie, weefsels te maken zijn met eigenschappen van de microporeuze membranen als die van Goretex: waterdampdoorlatend maar ondoordringbaar voor vloeibaar water. Maar Akzo besloot vooral de superieure zachtheid van het materiaal te exploiteren: er worden nu dassen van gemaakt.

Dat de al bijna veertig jaar oude en zo goedkope polypropeen-vezel überhaupt een plaats op de wereldmarkt voor vezels heeft veroverd is vooral te danken aan toepassing van het materiaal in zogenoemde 'nonwoven' producten zoals de binnenzijde van wegwerpluiers, hygiënisch verband, wegwerp-schoonmaakdoekjes en voeringen van kleding. De vezels van nonwovens worden met een bindmiddel aan elkaar gekit of aan elkaar gesmolten. Polypropeen is er de meest toegepaste kunstvezel.

Buiten de nonwovens kent de consument het polypropeen bijna uitsluitend van toepassing in thermisch ondergoed zoals, bijvoorbeeld, Helly Hansen dat verkoopt. De vezel dankt zijn 'thermische' kwaliteiten aan twee eigenschappen: hij heeft ten opzichte van andere kunstvezels een heel laag soortelijk gewicht wat een lage soortelijke warmte met zich meebrengt en - nog belangrijker - hij neemt vrijwel geen water uit vochtige lucht op. De andere drie kunstvezels doen dat, vergeleken met katoen en wol toch al niet zo erg, polyester nog het minst maar polypropeen spant de kroon. Een onderhemd van polypropeen laat transpiratiedamp dus makkelijk passeren waardoor de huid warm blijft.

Polypropeen heeft, zegt de woordvoerder van DSM, tot op heden één formidabel tekort dat de marktverovering in de weg staat en dat heeft rechtstreeks met de beschreven hydrofobe eigenschap te maken: de vezel is niet 'aanverfbaar'. Hem kan alleen tijdens het verspinnen een kleur worden meegegeven. Vandaar de beperking tot nonwovens, tot ondergoed en tot sokken. Het goede nieuws is dat er in de VS een proces is ontwikkeld dat het kleurprobleem overwint. Daardoor zouden in de komende jaren ook de moderne goedverkopende 'fleeces', de dikke truiachtige vesten waar alpinisten en buitensporters zo mee weglopen (en die zij ten onrechte voor nonwovens houden, het zijn verdikte breisels vergelijkbaar met badstof, corduroy en trijp) weleens van polypropeen gemaakt kunnen worden. Nu is het meestal heel gewoon nylon of polyester.