Jan Wagenaar en de Nederlandse geschiedenis; 'Verhaalen 't gene gebeurd is'

L.H.M. Wessels: Bron, waarheid en de verandering der tijden. Jan Wagenaar (1709-1773), een historiografische studie. Hollandse Historische Reeks XXVII, 617 blz. ƒ 89,-

Reginald De Schryver: Historiografie. Vijfentwintig eeuwen geschiedschrijving van West-Europa. Universitaire Pers Leuven, 212 blz. ƒ 68,65

Historici lijken weinig respect op te brengen voor het werk van hun voorgangers. In hun zoektocht naar de werkelijkheid van het verleden geldt wat geschiedkundigen voordien hebben geschreven al snel als achterhaald. Meeslepende nationale geschiedenissen, zoals die van Pirenne, Blok of Geyl worden nauwelijks nog geraadpleegd, gelezen of bestudeerd.

Aan die geringe waardering voor historische erflaters hebben vooral beoefenaars van de theoretische geschiedenis hun steentje bijgedragen. Jarenlang discussieerden zij over aard en structuur van historische kennis. Dit debat over objectiviteit, waarden, causaliteit en wetenschappelijke status van de geschiedbeoefening leidde tot afmattende scherpslijperij en eindeloze variaties op dezelfde kentheoretische thema's. De deelnemers boorden zich daarbij steeds verder de diepte in zodat de zaak muurvast kwam te zitten.

In deze discussie werden op zijn best tekstfragmenten van geschiedschrijvers besproken. Niet de tekst als ondeelbaar geheel, maar losse uitspraken - die dan op hun logisch of kentheoretisch gehalte werden geïnspecteerd - kregen het volle gewicht. In zo'n klimaat bestond weinig belangstelling voor betekenis en context van het geschiedkundig verhaal of voor de persoon en maatschappelijke achtergronden van de geschiedschrijver.

Daarentegen bestaat vanouds een respectvoller omgang met historici en hun voortbrengselen in de historiografie, de geschiedenis van de geschiedschrijving. Voor historiografen draagt elke geschiedschrijving, naar het woord van de Utrechtse hoogleraar Kernkamp, 'het navelmerk van den tijd, die haar baarde'. Zo beschouwd is zij een vorm van geestesleven en, evenals literatuur en overige kunsten, spiegel van de cultuur. Leo Wessels schreef een historiografische studie over de achttiende-eeuwse geschiedkundige Jan Wagenaar. Als wat hiervoor is gezegd enige plausibiliteit heeft mag het boek, dat oorspronkelijk als proefschrift werd verdedigd, voorshands op onze sympathie rekenen.

Wagenaar werd in 1709 te Amsterdam geboren in een gereformeerd gezin van eenvoudige burgerstand. Zijn ouders ontbrak het aan middelen hem te laten doorstuderen aan een Latijnse school of academie. Dat belette hem niet op eigen kracht een enorme en veelzijdige kennis te vergaren. Op dertigjarige leeftijd trad hij in het huwelijk met de koopmansdochter Christina Vergoes, die hij vermoedelijk in collegiantenkringen had leren kennen. De collegianten, een bont geschakeerd gezelschap uit allerlei kerkgenootschappen, deelden een afkeer van kerkorde en leerstelligheid en zochten een vrije innerlijke geloofsbeleving.

Gedurende enige jaren was Wagenaar regent van het Amsterdamse collegiantenweeshuis de Oranje-Appel. Daar groeide ook Aagje Deken op. Bij de dood van haar weldoener dichtte zij een Lykzang op het afsterven van den heere Jan Wagenaar - haar literair debuut. Geregeld moet zij hem hebben horen preken in het weeshuis. Wagenaar was een krachtig pleitbezorger van een bevattelijke, communicatieve preekmethode en ook zijn geschiedschrijving wordt, anders dan het retorisch vertoon van humanistische schrijvers als Hooft, gekenmerkt door stilistische eenvoud en begrijpelijke schrijftrant.

Aanvankelijk verdiende Wagenaar de kost als kantoorbediende en vertaler. In de avonduren verdiepte hij zich in de natuurwetenschappen en in het werk van de fysico-theologen die Gods bestaan empirisch uit de wonderen van Zijn schepping wilden bewijzen en een terugkeer bepleitten naar de Bron, de Heilige Schrift, door middel van onbevooroordeeld onderzoek. Dit was een perspectief dat Wagenaar ook in zijn geschiedvorsing zou hanteren. Later verwierf hij inkomsten als houthandelaar en tenslotte als eerste klerk op de Amsterdamse stadssecretarie.

In die laatste functie had hij de bronnen letterlijk voor het grijpen. In 1758 volgde een eervolle aanstelling als Historieschrijver van deze stad. Zijn conservatieve en staatsgezinde opvattingen zullen hem daarbij trouwens van pas zijn gekomen. In de dienstbetrekking met de stad Amsterdam komt een minder vleiende kant van zijn karakter aan het licht. Een door het stadsbestuur georganiseerde publieke verbranding van een gelegenheidgeschrift van de prinsgezinde Elie Luzac, een van de meest vooraanstaande representanten van de Nederlandse Verlichting met wie Wagenaar eerder in polemiek was geraakt, kreeg zijn ruimhartige instemming. Later nog adviseerde hij de burgemeesteren afwijzend te beschikken op een door Luzac ingediend verzoek het Amsterdamse poorterrecht te krijgen.

Wagenaar heeft meer dan 20.000 bladzijden gepubliceerd materiaal nagelaten. Maar zijn bekendheid is vooral te danken aan de Vaderlandsche Historie die een weloverwogen ondertitel heeft meegekregen: 'Uit de geloofwaardigste Schrijvers en egte Gedenkstukken samengesteld'. Het geschiedwerk werd tussen 1749 en 1759 in eenentwintig delen uitgegeven, en was tot ver in de negentiende eeuw een bron van rijkdom voor menig geschiedkundige.

De titel heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de inburgering van het begrip 'vaderlandse geschiedenis'. Sinds de zestiende-eeuwse Divisiekroniek van Cornelius Aurelius was geen overzicht van de vaderlandse geschiedenis meer verschenen, al dient te worden toegevoegd dat beide overzichten het verleden overduidelijk vanuit hollando-centrisch standpunt bezien. Een bewerking van beide geschiedwerken tot schoolboek heeft ongetwijfeld verder bijgedragen aan hun bekendheid.

Wagenaars synthese is geschreven uit onvrede met (de erfenis van) het historisch pyrrhonisme, dat twijfel zaaide aan de betrouwbaarheid van historische overleveringen en de waarde van historische kennis. In de voorrede windt de auteur er geen doekjes om: 'Myn toeleg is, te verhaalen, t gene gebeurd is, zonder dat het my, als Historie-schryver, aangaat, of het eerlyk zy, of schandelyk.' Het is niet voor niks dat het werk bijna 20.000 voetnoten telt. Ook de ondertitel mag in dit opzicht programmatisch heten. Wagenaar beschrijft de lotgevallen van het volk en die geschiedenis kan worden aangemerkt als een 'Historie der getergde, verdrukte, herleevende en zegepraalende Vryheid des Vaderlands'. Dit vrijheidsmotief is in de ogen van Wagenaar geen kwestie van vooringenomenheid, maar het resultaat van zijn diep gaande vorsingen.

Bij verschijning kreeg de Vaderlandsche Historie over het algemeen een goede pers (grote uitzondering was de genoemde Luzac). De boekdelen maakten vooral grote opgang in het patriottenmilieu. Joan Derk van der Capellen, een van de leidende figuren uit de patriottenbeweging verzuchtte ooit in een brief, toen hij weer eens werd geconfronteerd met het gebruikelijke gekijf van zijn landgenoten: 'Ik geloof het beste middel om die Lieden te genezen zou zijn hun ieder een exemplaar van de Vaderlandsche historie te vereeren.'

Wessels speurzin en detailonderzoek dwingen bewondering af. Zo heeft hij meer dan 30.000 bronvermeldingen nageplozen om te achterhalen hoe Wagenaars bevindingen tot stand kwamen. Er is werkelijk niets wat de aandacht van de auteur ontsnapt. Maar in deze constatering ligt ook de zwakte van de studie. Illustratief is een door Wessels in een noot opgenomen tabel waarin hij het boekenbestand van Wagenaars bibliotheek rubriceert naar boekformaat.

Veel aandacht besteedt hij ook aan de overwegend ongunstige beoordeling van zijn hoofdpersoon door geschiedschrijvers in de negentiende en twintigste eeuw. Daarmee gaat hij veel verder dan het in de inleiding aangekondigde voornemen Wagenaars werk te plaatsen tegen de achtergrond van de toenmalige verhoudingen. Deze uitvoerige receptiegeschiedenis lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens tot rehabilitatie van zijn hoofdpersoon te komen. Bron, waarheid en de verandering der tijden laat zich al met al stroef lezen omdat de auteur van elke stap uitvoerig verantwoording wil afleggen en hij alles de moeite van het vermelden waard vindt. Nou ja, bijna alles. Als hij zich ergens laat ontvallen dat hij van een verdere rubricering van Wagenaars boekenbezit wegens ruimtegebrek moet afzien, haalt de lezer opgelucht adem.

Dat neemt niet weg dat Wessels een belangwekkend boek heeft geschreven. De (Noord-)Nederlandse geschiedschrijving van de Nieuwe Tijd, de periode van 1500 tot 1800, is amper nageplozen. Historiografen hebben vooral acht geslagen op de vorige eeuw, de periode waarin de moderne wetenschappelijke geschiedschrijving ontstond. Dat is een beperkte opvatting, die in elk geval weinig recht doet aan de voorliggende periode.

Dat wordt duidelijk in Historiografie van de Leuvense hoogleraar Reginald de Schryver, waarvan een derde bijgewerkte druk verscheen. Het geschiedkundig spectrum van de zeventiende en achttiende eeuw wordt aan een zijde belicht door het infrarood van de erudiete geschiedschrijving. Daar legde men zich toe op de ontwikkeling van de hulpwetenschappen, de uitgave van bronnen, repertoria en lexica, en het samenstellen van geleerde geschiedwerken. Tot haar eminente vertegenwoordigers horen geleerden als Du Cange, Mabillon, Muratori, Gatterer, Winckelmann en in onze streken de Bollandisten-jezuïeten. Aan de andere zijde van het spectrum fonkelt het ultraviolet van de wijsgerige of Verlichte geschiedschrijving. Ondanks alle verschillen tussen de wijsgerige geschiedschrijvers onderling - die hoofdzakelijk betrekking hebben op hun houding tegenover de godsdienst - gaat het hen erom inzicht te krijgen in het hoe en waarom van historische ontwikkelingen. In hun geëngageerde opstelling tonen zij zich de rechtstreekse erfgenamen van de historia magistra vitae-traditie in de humanistische geschiedschrijving.

In de context van beide stromingen lijkt Wagenaar een tussenpositie in te nemen. Enerzijds hoort hij met zijn terugkeer tot de bronnen en belangstelling voor bronnenkritiek tot de erudieten. Anderzijds staat hij in de lijn van de Verlichting, in zoverre hij een geseculariseerde geschiedschrijving beoefent, de ontwikkeling van het vrijheidsstreven als Leitmotiv hanteert en oog heeft voor verbanden. In een fraai hoofdstuk over de confrontatie tussen Wagenaar en Elie Luzac maakt Wessels evenwel duidelijk dat de eerste niet in alle opzichten tot de wijsgerige geschiedschrijving mag worden gerekend. Luzac, uitgever en annoteerder van ondermeer Montesquieu, wordt door Wessels geportretteerd als een philosophe historien, voorstander van een pragmatische, normatieve en didactische benadering van de geschiedenis, waar Wagenaar een geschiedvorser is die, geïnspireerd door Newtons inductieve empirisme, de feiten voor zichzelf wil laten spreken.

Met zijn Vaderlandsche Historie heeft de Amsterdamse geschiedschrijver een trend gezet die in historici als P.J. Blok en Pieter Geyl bezielde navolgers heeft gevonden. Dat brengt ons bij de vraag hoe het eigenlijk is gesteld met het grand récit in de huidige geschiedschrijving. Synthesen over de vaderlandse geschiedenis verschijnen wel, maar ze behandelen slechts een bepaalde periode of worden samengesteld door verschillende specialisten. De grand narrative - het grootse geschiedverhaal geschreven vanuit een coherent en herkenbaar perspectief - bestaat in de serieuze geschiedschrijving niet meer. Historici schrijven bovenal monografieën. Of we dat moeten betreuren? Herodotus, de vader van de geschiedschrijving, stond stil bij de oorlogen tussen Perzen en Grieken, Thuycidides schetste de rivaliteit tussen Peloponnesiërs en Atheners.

De geschiedschrijving is gewoon weer terug bij af.