Het CDA zou zich wat meer in het verleden moeten verdiepen; Zal het christendom geheel verdwijnen uit ons land?

Hoewel PvdA, VVD en D66 verschillende politieke stromingen vertegenwoordigen, hebben ze dezelfde achtergrond: het humanisme. Hierdoor is de 'paarse' coalitie het meest homogene bondgenootschap in de Nederlandse parlementaire geschiedenis geworden en drukt het meer dan eerdere coalities een ondubbelzinnig stempel op Nederland, meent H.M.Th.D. ten Napel.

In het jaar waarin het 150-jarig bestaan van de grondwet van 1848 wordt herdacht, komt de vraag op naar de continuïteit in de Nederlandse politieke geschiedenis. Ten minste één zwaarwegend argument om, in weerwil van Fruin, van verbindingslijnen te spreken tussen het tweede en het derde tijdvak in de Nederlandse geschiedenis, tussen de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën en de periode na 1795/1848, is dat onze, tot op de dag van vandaag kenmerkende culturele diversiteit, reeds dateert uit de 16de eeuw.

Vanaf het ontstaan van de Nederlandse natie kunnen drie geestelijke stromingen worden onderscheiden: het rooms-katholicisme, het humanisme en de reformatie. Alle tijdens en na de Verlichting ontstane politieke stromingen kunnen, met uitzondering van het fascisme, zonder veel moeite tot een van deze drie wereldbeschouwingen worden herleid. En verreweg de meeste daarna ontstane politieke partijen kunnen weer als exponenten van een van die politieke stromingen worden beschouwd.

Als gevolg van dit 'drievoudig snoer' van geestelijke stroming,politieke stroming en politieke partij heeft de Nederlandse politiek door de eeuwen heen in hoge mate het karakter gehad van een strijd om de cultuur tussen de rooms-katholieke, humanistische en orthodox-protestantse volksgroepen. Het losser worden van de banden tussen politieke partijen en politieke stromingen enerzijds en politieke- en geestelijke stromingen anderzijds kan worden aangemerkt als de 'amerikanisering' van de Nederlandse politiek, een proces dat zich sedert enkele decennia bezig is te voltrekken.

In deze permanente strijd om de cultuur heeft nu eens de ene, dan weer de andere groepering aan het langste eind getrokken. Na de rooms-katholieke dominantie in de periode van het landsheerlijk bewind, zetten de orthodox-protestanten in het grootste deel van de 17de eeuw de toon. De 18de en de 19de eeuw werden gekenmerkt door humanistische overheersing, waarna orthodox-protestanten en rooms-katholieken er gezamenlijk in zijn geslaagd gedurende een substantieel deel van de 20ste eeuw een sleutelrol te spelen in de Nederlandse politiek.

Op dit moment berust het primaat weer onmiskenbaar bij de humanisten. De ontwikkelingen gaan zelfs zo hard, dat de vraag gerechtvaardigd lijkt of het christendom niet geheel zal wegtrekken uit Nederland.

Daar komt bij dat de 'paarse' coalitie van PvdA, VVD en D66 kan worden beschouwd als het - in ideologisch opzicht - meest homogene bondgenootschap in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Sinds de invoering van het parlementaire stelsel in 1848 hebben zich vijf grote politieke bondgenootschappen gemanifesteerd: het verbond van liberalen en 'papo-Thorbeckianen' tussen 1848 en 1870, de rechtse 'Coalitie' van orthodox-protestanten en rooms-katholieken (ca. 1883-1925/1939), het 'Nieuwe Bestand' tussen socialisten en rooms-katholieken (1946-1958), de overwegend confessioneel-liberale samenwerking van 1959 tot 1989 en de huidige 'paarse' coalitie van socialisten, liberalen en democraten.

Terugkijkend kunnen we de eerste vier bondgenootschappen in zoverre bijzonder noemen dat de erbij betrokken politieke stromingen telkens te herleiden vielen tot verschillende geestelijke stromingen. Er was geen consensus over de mens-, maatschappij- en staatsvisie die aan het te voeren beleid ten grondslag moest liggen. Het stempel dat opeenvolgende kabinetten door middel van hun wetgevende arbeid op de Nederlandse samenleving hebben weten te drukken, is dan ook bescheiden gebleven.

Dat ligt anders voor het eerste normale politieke bondgenootschap, de 'paarse' coalitie. PvdA, VVD en D66 zijn weliswaar representanten van verschillende politieke stromingen, maar die komen uit de gemeenschappelijke wortel van het humanisme voort. Hierdoor is 'paars' in beginsel in staat om het meest ondubbelzinnige stempel op Nederland te drukken van alle bondgenootschappen tot nu toe. Vanzelfsprekend zal pas na een tweede of derde 'paars' kabinet kunnen worden beoordeeld of en zo ja in hoeverre men deze mogelijkheid ook heeft benut.

Dit alles betekent nog niet dat het op voorhand uitgesloten is dat het CDA aan een volgend kabinet deelneemt. Ook tijdens de liberale dominantie, in de vorige eeuw, werden er regelmatig kabinetten met een conservatieve strekking geformeerd. Wel kan worden verwacht dat pogingen tot verdere politieke marginalisatie van het CDA de komende tijd nog aan kracht zullen winnen.

Gegeven de parallellen tussen het politieke en religieuze klimaat in de negentiende eeuw en dat tegen het einde van de twintigste eeuw zou men veronderstellen, dat in christen-democratische kring het historisch besef de laatste tijd is gegroeid. De historicus G. Puchinger merkte in dit verband twee jaar geleden op dat de kracht van het herlevende protestantisme en van Groen van Prinsterer, Kuyper en Colijn in de vurige overtuiging lag, die bij veel protestanten en rooms-katholieken was blijven bestaan. Groen, Kuyper, Schaepman en De Savornin Lohman hadden die overtuiging mede door hun journalistieke gaven, weer laten ontwaken. Maar volgens Puchinger grijpt het huidige CDA veel minder terug naar het vurige geloofsleven van deze voormannen. Het zou volgens hem te veel naar het heden kijken en zich te weinig op de beginselen en de geschiedenis van de beweging richten.

Ook de partijraad van vandaag en het verkiezingscongres van morgen zullen wel weer in het teken van de 'vernieuwing' staan. “Je kunt geen toekomstgerichte koers houden door te sturen via de achteruitkijkspiegel”, zo verwoordde partijvoorzitter J.J.M. Helgers het motto van de partij na de desastreus verlopen verkiezingen van 1994.

De tijd zal leren of het communitaristisch getinte programma van het CDA, waarin verwijzingen naar de achterliggende inspiratie hoogstens impliciet aanwezig zijn, de partij voldoende profiel geeft om zich staande te houden temidden van het politieke geweld van Kok en Bolkestein. Zoveel staat echter vast, dat ook de 'paarse' partijen de nodige aandacht voor sociale cohesie hebben. En 'sociaal-linkse' en 'lokale' partijen kent Nederland reeds in voldoende mate.

De hang naar 'vernieuwing' bij de huidige CDA-leiding is ondertussen een nieuwe aanwijzing dat de Nederlands-Amerikaanse historicus James C. Kennedy gelijk heeft waar hij spreekt over de relatief sterke aanpassingsgezindheid van de Nederlandse elites. In Elsevier zei hij vorig jaar: “Ik ben opgegroeid in een zeer christelijk milieu in een nog vrij christelijk land. Mijn familie in Nederland is bijna helemaal geseculariseerd. Een groot deel van mijn neven en nichten is in de hervormde kerk gedoopt, maar niemand van hen heeft belijdenis gedaan. Eigenlijk is dat het verhaal van de jaren zestig en van Nederland in het kort. Ik ben anno 1997 nog een christen omdat mijn moeder naar Amerika is gegaan.”

Eind deze maand wordt aan Princeton Theological Seminary een conferentie gehouden om te herdenken dat Kuyper daar 100 jaar geleden zijn zogeheten Stone-lezingen over het calvinisme hield. Door de vitaliteit van 'paars' enerzijds en het matige historische besef in christelijke kring anderzijds zou een denkbare conclusie van het congres kunnen zijn, dat wie geïnteresseerd is in Abraham Kuyper's Legacy for the 21st Century de blik langzamerhand beter op een land als Zuid-Korea kan richten dan op Nederland.