Gesprek met fotoverzamelaar Manfred Heiting; De rijkdom van wit, zwart en grijs

De affaire die vorige week losbarstte rond de vervalste 'vintage'-afdrukken van Man Ray verbaasde Manfred Heiting, die een van de mooiste particuliere fotocollecties ter wereld bezit, niet. “Voor menig handelaar is het devies nog altijd 'take the money and run'.”

Zoals de meeste grote verzamelaars loopt ook Manfred Heiting niet te koop met zijn hartstocht. Maar in zijn Amsterdamse woning - de exacte lokatie ziet hij liever niet vermeld - is ze onmiskenbaar aanwezig, zij het terloops en bescheiden. In het souterrain, op de smalle richel in het gangetje naar zijn werkkamer, staan bijvoorbeeld maar vijf foto's uitgestald. Ze mogen er zijn: een August Sander, een Albert Renger-Patzsch, Nadars portret van George Sand, dat van Tina Modotti door minnaar Edward Weston. En dan de bekende foto die Modotti in 1927 maakte, met een verwijzing naar het communisme, van een sikkel en een patroongordel.

Op de grond, bijna achteloos met de beeldzijde tegen de muur, is een recente aankoop te zien: een fotogram uit de vroege jaren twintig van de als schilder bekend geworden Oskar Nehringer. Een toevalligheidje, zegt de verzamelaar. “Niet ècht belangrijk, wel heel mooi. Zoiets laat ik nog altijd niet lopen.”

Heiting (1943) begon fotografie te verzamelen in het midden van de jaren zeventig. Tot die tijd kocht hij zo nu en dan een foto zegt hij, de eerste in 1968; Moonrise, Hernandez van Ansel Adams, in een opwelling aangeschaft voor 300 dollar. Grijnzend: “Het was toen mode om foto's full frame in te lijsten, dus zonder passepartout. Maar deze afdruk was net iets te groot voor de lijst die ik had. Dus sneed ik de handtekening aan de onderzijde er maar af.”

Het verzamelen begon, toen zich tussen die incidentele aankopen een samenhang aftekende. “Ik wilde de onderlinge verbanden en de ontwikkeling van de fotografie in beeld brengen. Vanaf dat moment werd het een bezetenheid.” Al kent die bezetenheid een hoge mate van berekening, voegt hij er even later aan toe. “Je leert iedere aankoop af te wegen tegen de rest van de collectie.”

Een exemplarische collectie wilde hij aanleggen, met van alle belangrijke fotografen uit de geschiedenis van het medium tenminste één typerende afdruk. In die opzet lijkt hij binnen twintig jaar geslaagd. In het recent verschenen boek Das Foto. Kunst und Sammelobject van de Duitse auteur Michael Koetzle (Augustus Verlag, 1997) wordt Heitings collectie wat omvang, kwaliteit en consistentie betreft 'de beste ter wereld' genoemd.

Zelf vindt Heiting die eerste plaats wat overdreven. “Sommige deelgebieden zijn bij anderen beslist beter uitgediept dan bij mij.” Maar de Duitse en Amerikaanse fotografie uit de jaren twintig en dertig zullen nergens zo mooi in beeld zijn gebracht als bij hem, meent hij toch ook. En vooruit, zijn exemplaar van Paul Strands fameuze Blind Woman, New York uit 1916 (slechts vier vintage-drukken zijn bekend) is, inderdaad, het enige in particulier bezit.

Oogstrelend

Hoewel hij zijn foto's - ondergebracht in kluizen van banken en musea, slechts een fractie ligt thuis - onder voorwaarden beschikbaar stelt voor exposities, heeft Heiting tot nu slechts één keer openlijk inzicht gegeven in zijn collectie. Tijdens de internationale fotobeurs Paris Photo vorig jaar november toonde hij 26 foto's, waaronder werk van de Fransman Gustave le Gray (het zeldzame, uit zes panelen opgebouwde panorama Manoeuvres de cavalerie, Camp des Châlons uit 1857), Julia Margaret Cameron, Edward Steichen, Brassaï, Robert Frank en Diana Arbus.

Een deel van de 19de-eeuwse foto's op deze tentoonstelling publiceerde hij weliswaar in 1995 al eens in het oogstrelende boek At The Still Point (het eerste deel van wat een serie van drie moet worden), maar dat was een relatiegeschenk en dus niet in de handel verkrijgbaar; de bibliotheek van het Rijksmuseum in Amsterdam bezit een exemplaar. Pas in het najaar van 2001 zal de eerste volwaardige expositie van zijn collectie plaatsvinden in datzelfde Rijksmuseum.

Heiting: “De hele honderdvijftig-plus jaar fotografiegeschiedenis. En niet weggestopt in duistere vitrines en achterafzaaltjes, zoals nog veel te vaak gebeurt in Nederland.”

Zijn belangstelling voor de fotografie werd gevormd in zijn jaren als international director of design & creative development bij de in Amsterdam gevestigde internationale divisie van de Amerikaanse optica-gigant Polaroid, leverancier van films, camera's, brillen. Hij kwam er terecht in 1965, na een studie grafische vormgeving in zijn geboorteland Duitsland en een korte betrekking bij het Amsterdamse reclamebureau Prad.

Het bedrijf onderhield een innige band met fotografen, galeries en musea. Heiting: “Jaarlijks werden bijeenkomsten georganiseerd waar de laatste artistieke en technische ontwikkelingen werden besproken. Fotografen als Paul Caponigro, Brett Weston, Eliot Porter en Ansel Adams waren aan Polaroid verbonden. Alle nieuw ontwikkelde materialen kregen ze tot hun beschikking. Film na film werd volgeschoten op dezelfde rode rotsen om te zien hoe de kleur zich zou houden onder alle denkbare licht- en weersomstandigheden. Alleen Adams al moet honderdduizend foto's op Polaroid gemaakt hebben. Ik kreeg ze allemaal door mijn handen voor publicaties, advertenties, noem maar op. Het was de best denkbare leerschool.”

Toen Polaroid in 1982 in het kader van een reorganisatie haar internationale divisie terughaalde naar Amerika, stapte Heiting op en werkte tien jaar voor American Express, onder meer als uitgever van het members only tijdschrift Expression. Sindsdien is hij 'kleine zelfstandige'. Hij ontwerpt presentaties van stedebouwkundige projecten, is pr-adviseur en verzorgt boekontwerpen. En daarnaast heeft hij enkele internationale bestuurs- en adviesfuncties: bij het Center for Creative Photography in Tucson (Arizona), de Deutsche Gesellschaft für Photographie en het in het Keulse Mediapark ondergebrachte August Sander Archiv, waarin ook het werk van Karl Blossfelt, Albert Renger-Patzsch en Bernd en Hilla Becher is opgenomen.

Futloos

Gezien zijn internationale achtergrond - hij reist nog altijd veel en woont een deel van het jaar in Los Angeles - hoeft Heitings oordeel over het Nederlandse fotografieklimaat niet zo te verbazen. Onvolwassen en futloos, noemt hij het: “Veilingen zijn er niet, verzamelaars nauwelijks. Waar kun je hier nu eens echt goede foto's zien? Het Stedelijk Museum dat eens in de zoveel jaar iets opduikt uit de kelders - droevig!”

Het beoogde fotografie-museum, te financieren uit de vorig jaar door amateurfotograaf en multi-miljonair Hein Wertheimer nagelaten 22 miljoen gulden, zou ook een eigen collectie moeten aanleggen. “Ik wens het museum veel succes”, zegt Heiting ironisch. “Ik ben bang dat het als mosterd na de maaltijd komt. Het werk van de écht belangrijke namen uit de Nederlandse fotografie zoals Zwart, Citroen, Schuitema en Van der Elsken is allemaal al verkocht of verdeeld.” Niet dat hij wil beweren dat de rest van tweede garnituur is, maar toch: “Het moet nog blijken of het zich in de loop der tijd staande houdt. Zeker het hedendaagse werk.”

Daarnaast verzet hij zich tegen de suggestie dat een verzameling zomaar bij elkaar gekocht kan worden. “Een verzameling moet groeien. Het Amerikaanse Getty Museum heeft het in een jaar proberen te doen en het resultaat is niet anders dan wisselvallig te noemen. Het Maison Européenne de la Photographie in Parijs nam iets meer tijd, maar echt beter is het resultaat nog niet.”

Hij wil maar zeggen: wat stelt Nederland zich eigenlijk voor als het zelfs in de landen die toch het walhalla van de fotografie zijn, al niet wil lukken?

Ook zelf is hij door schade en schande wijs geworden. Toen hij eenmaal had besloten een collectie te gaan vormen, zocht hij het in eerste instantie in de contemporaine fotografie. “Ik kocht alles wat ik mooi vond. Tot ik merkte dat het maar zelden blijvers waren. Lang niet alles wat in eerste instantie goed lijkt, houdt zich staande in de tijd.”

Na die ontdekking verlegde hij zijn aandacht naar dat werk dat zich in de loop der jaren wél had bewezen: de Duitse en Amerikaanse fotografie uit de jaren twintig en dertig. Het zou de spil van zijn verzameling worden. Hij kocht werk van fotografen als Albert Renger-Patzsch, August Sander, Lucia Moholy en de invloedrijke Bauhaus-docent Walter Peterhans, waarvan Heiting (als enige particulier) vier foto's in zijn collectie heeft. Hij zocht en vond The Steerage van Alfred Stieglitz (een gesigneerde druk; stukken zeldzamer dan de ongesigneerde), The Flatiron Building van Edward Steichen, Paul Strands Blind Woman. Van daaruit werkte hij verder; de Franse en Engelse fotografie uit de jaren vijftig, opnieuw de Amerikaanse uit de jaren vijftig en zestig.

Klaar is hij er nog niet mee. Ooit zal hij zijn bezit van de hand moeten doen: “Foto's overleven nu eenmaal niet alleen de fotograaf maar ook de verzamelaar, maar voorlopig peins ik er nog niet over.”

Vingerafdruk

Het spreekt vanzelf dat voor de Heiting-collectie uitsluitend vintage-prints in aanmerking komen; door de fotograaf of zijn vaste drukker vervaardigd in de tijd dat ook het negatief gemaakt werd. Een kwestie van oorspronkelijkheid, want een vintage druk bevat als geen ander de vingerafdruk van de fotograaf, zegt Heiting. Al hanteert hij het idee met enige coulantie. De oorspronkelijke drukken van Adams' Moonrise, Hernandez bijvoorbeeld zijn grijs: pas nadat de fotograaf in de jaren zestig dankzij een chemisch behandeling van het negatief het contrast ervan kon vergroten, was hij in staat er optimale afdrukken van te maken. Maar moderne afdrukken zoals fotografen als André Kertész en Man Ray in de jaren voor hun dood maakten van hun oude werk, verafschuwt hij: “Man Ray's uit de jaren zestig en zeventig zijn gewoon derderangs.”

Vervalst

Dit interview werd gehouden enkele weken voor de omvangrijke fraude bekend werd met vervalste Man Ray vintage-prints waarvan de Duitse verzamelaar Werner Bokelberg het slachtoffer werd. Heiting verblijft momenteel in Los Angeles. Telefonisch laat hij weten reeds enige maanden op de hoogte te zijn van wat hij noemt 'de nachtmerrie van ieder verzamelaar'. Hij is ervan overtuigd dat de affaire Man Ray/Bokelberg nog maar het topje van de ijsberg is.

Heiting zegt in Amerika al enkele jaren te pleiten voor de oprichting van een expertisecentrum dat de beweerde authenticiteit (zowel fototechnisch als historisch) van te koop aangeboden foto's moet kunnen onderzoeken. Ook zou het centrum regels op moeten stellen voor de zogenaamde provenance (eigendomsgeschiedenis) die verzamelaars plegen te eisen bij hun aankopen. “Er wordt met provenances al jaren gerommeld, en niet alleen bij Man Ray. Beweringen over foto's worden zelden geverifieerd.”

Met name de handelaars in fotografie hebben zich tot nu toe fel verzet tegen zijn plannen. Heiting: “Voor menig handelaar is het devies nog altijd take the money and run.” Hij hoopt echter dat door de affaire rond de vervalste Man Ray's in die houding nu verandering zal komen.

Zelf bezit Heiting 'een twintigtal' Man Ray's. Hoewel hij overtuigd was van hun echtheid heeft hij ze voor alle zekerheid toch nog eens onderzocht: “Ze zijn zowel wat betreft het papier als de provenance stuk voor stuk in orde.”

Relatief laat pas begon hij aan de 19de-eeuwse fotografie: “Zoutdrukken, albuminedrukken - dat vond ik eerst maar bruine soep. Ook al omdat de technische kant van veel fotografie uit die tijd ronduit belabberd is. Maar dat kan natuurlijk ook niet anders. Driekwart van al die fotografen is begonnen als amateur.”

Werk van de jongste generatie fotografen en met fotografie werkende beeldend kunstenaars komt in zijn collectie alleen selectief voor. “Ik ben geen trendsetter, ik volg de trends hooguit. En dan nog op grote afstand.” Christian Boltanski, Sigmar Polke, Gilbert & George, die horen er vindt hij inmiddels bij. Maar de rest heeft nog even tijd; of het heeft zich nog niet bewezen, of Heiting heeft nog geen hem aansprekende drukken kunnen vinden. Cindy Sherman bijvoorbeeld die hij toch beschouwt als een van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars, is in zijn collectie nog steeds afwezig. De twee 'filmstills' (geënsceneerde zelfportretten) die hij ooit van haar kocht, heeft hij weer van de hand gedaan, omdat ze achteraf toch niet voldoende presentie in zijn collectie gaven: “Ze gaven haar belang en ideeënwereld niet goed genoeg weer. Naar haar ben ik dus nog op zoek.”

Bij zijn aankopen, voornamelijk op veilingen en bij fotohandelaren, gaat Heiting behalve op de status van foto en fotograaf en zijn persoonlijke smaak vooral af op de technische kwaliteit van de afdruk. Iedere foto moet perfect zijn, zegt hij: “Ik verzamel tenslotte geen fotografische beelden maar objecten. Zou het me om het beeld alleen gaan dan kocht ik wel fotoboeken.”

Die perfectie schuilt behalve in wat hij enigszins onbeholpen 'de rijkdom van wit, zwart en grijs' noemt ook in de afwerking. Zelfs het kleinste deukje aan de rand is uit den boze: in 1979 leverde hij om die reden een zojuist gekochte zeldzame vintage-print van André Kertész' beroemde bord met vork per ommegaande weer in bij de verkoper die had nagelaten hem op de onvolkomenheid te wijzen.

Al zijn er natuurlijk uitzonderingen. Ter instructie pakt hij een foto van Crankshaft uit 1923. Hij kantelt de lijst net zo lang onder het licht tot, net onder de rand van de foto, enkele minuscule bruine vlekjes zichtbaar worden: lijmresten, vermoedt Heiting. “Deze krijgt dus geen 10 maar hooguit een 9. Maar ja, het is wel de enige afdruk ter wereld die te koop was. De twee andere zitten in museale collecties.”

Achteraf gezien is hij net op tijd met de aanleg van zijn verzameling begonnen. Sinds het midden van de jaren tachtig zijn de prijzen voor fotografie met sprongen gestegen: werk dat hij in zijn begindagen kocht voor prijzen rond de 2.000 dollar, kost nu gemiddeld het tienvoudige. En zeker wat het historische werk betreft is de markt vrijwel afgegraasd, aldus Heiting: “Echt goede foto's uit de jaren twintig en dertig bijvoorbeeld zijn al bijna niet meer voor een schappelijke prijs te krijgen.” Voor grote aanwinsten moet hij dan ook niet zelden eerst ander werk uit zijn collectie van de hand doen.

Exorbitant

Ook hij moet lachen om de 376.500 dollar die vorig op een veiling bij Christie's in New York werd neergeteld voor een 8 bij 9 centimeter grote afdruk van André Kertész; Mondriaans pijp en bril, 1926. Zij het niet omdat hij de prijs exorbitant vindt: “Een schilderij van De Kooning of Van Gogh gaat voor ettelijke miljoenen, een zeefdruk van Roy Lichtenstein voor tonnen. Waarom zou een foto van een van de beste fotografen aller tijden dan niet veel geld mogen opbrengen? Het is niet het beeld maar de authenticiteit ervan die de waarde van een foto bepaalt.”

Maar voor de Kertész in kwestie werd onnodig zo'n 100.000 dollar teveel betaald, vertelt Heiting. “De foto is gekocht door Elton John. Ook hij heeft een fotocollectie en mag graag die foto's kopen die het veilinghuis op de omslag van de catalogus zet. Hij werkt steevast met twee handelaren die in dit geval beiden op de veiling aanwezig waren. Zonder het te weten boden ze tegen elkaar op om dezelfde klant tevreden te stellen.”

De ironie van de kunsthandel, noemt hij zoiets. Om er vervolgens net niet helemaal achteloos aan toe te voegen dat hij die foto zelf uiteraard ook heeft. “De originele tentoonstellingsdruk uit 1929. Toch net wat interessanter vind ik.”