Gesprek met cabaretier Vincent Bijlo over zijn romandebuut; Hé, daar loopt een ziende

Cabaretier Vincent Bijlo debuteerde met een autobiografische roman over zijn jeugd op het blindeninstituut. “Je krijgt inzicht in je eigen kop, dat is het mooie van schrijven.”

Vincent Bijlo: Het instituut. Uitg. De Arbeiderspers, prijs ƒ 29,90

Kijk, zo werkt zijn computer. Vincent Bijlo rolt zijn bureaustoel opzij, zodat ik zie wat hij bedoelt. Zijn toetsenbord is net als het mijne - hij heeft zijn typediploma gehaald, 400 aanslagen per minuut - maar onder de onderste toetsen bevindt zich nog een extra rij. Wat de cursor op het scherm aanwijst, springt hier op in voortdurende wisselende braille-puntjes. Geroutineerd glijden zijn vingers er overheen. “Het instituut”, leest hij voor. “Roman door Vincent Bijlo. De Arbeiderspers. Onweer, daar schrok hij vroeger altijd zo van. Niet van de flitsen, want die zag hij toch niet, maar van de knallen...”

Zijn literaire debuut heeft een sterk autobiografische inslag, bevestigt de 32-jarige cabaretier. Net als zijn hoofdpersoon bracht hij de dagen van zijn derde tot zijn dertiende jaar door op het Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Blinden, waarvan niemand precies wist of het nu in Huizen of in Bussum stond. Het instituut roept in kaal en knokig proza het beeld op van een naargeestige tijd, waar alles zinloos leek en de ik-figuur zich samen met een vriendje 'de enige normale blinden' voelt tussen een stelletje debielen: 'De rest stonk, was raar, kinderachtig, dom en niet goed bij zijn hoofd. Als je het zootje zo bij elkaar zag zou je zeggen dat blindheid iets met je hersens deed.'

“Het is in zoverre een karikatuur dat ik sommige zaken heb uitvergroot en alles consequent uit het perspectief van dat jongetje heb opgeschreven, zonder enige reflectie”, zegt Bijlo. “Maar het komt wel overeen met hoe ik die tijd zelf heb ervaren. Je begreep niet waarom je daar zat, in plaats van op een gewone school. Alle wapenen om contact te maken met de buitenwereld, werden je uit handen geslagen. Je werd opgevoed in een reservaat achter ijzeren hekken. Over later werd nooit gepraat. Over de valide wereld werd alleen gesproken in de vorm van dreigementen - pas op, de buitenwereld is wreed. Geen wonder dat veel kinderen zich zo debiel gedroegen, dat was hun manier om een uitweg te zoeken uit die ellende.

“Van enige zelfbevestiging was geen sprake. Als je precies deed wat je werd opgedragen, had je misschien een heel klein kansje om ooit nog iets te bereiken, maar daar moest je je maar niet te veel van voorstellen. Het is nogal wat, als je daar op die leeftijd van wordt doordrongen. Van veel instituutkinderen kwam later dan ook niet veel terecht, terwijl de meesten net zo goed naar een gewone school hadden kunnen gaan.

“Het onderwijs werd nooit als helemaal serieus beschouwd, vrees ik. Je kreeg het gevoel dat je als blinde toch nooit erg ver zou komen. In de jaren zeventig hadden wij zelfs nog schoolboekjes van minstens veertig jaar geleden - die werkten nog met halve centen en zo. Je kreeg nooit te horen dat je opschoot. Eigenlijk was er ook geen echt onderscheid tussen de verschillende klassen en er was geen Cito-toets ten teken dat je de school had afgemaakt; op een gegeven moment was het blijkbaar afgelopen.”

Gefrustreerd

“Dat ik erover ben gaan schrijven, heeft veel te maken met het gevoel dat elke schrijver volgens mij heeft: hij heeft iets en moet dat kwijt. Ik wist dat ik het zou kunnen verwoorden en ik wist ook dat niemand anders dat zo goed zou kunnen als ik. Het is niet zo dat ik er nu pas mee klaar ben, want zelf heb ik aan het instituut geen gefrustreerde gevoelens overgehouden. Ik heb destijds genoeg bevestiging in mezelf gevonden, in de dingen waar ik goed in was. In diverse recensies zal heus wel opduiken dat dit een therapeutisch boekje is. Iemand heeft al tegen me gezegd dat ik het van me heb afgeschreven, dat ik mijn frustraties op het papier heb gedonderd. Maar zelfs als dat zo zou zijn, wat dan nog - anders zou ook het hele oeuvre van Maarten 't Hart niets waard zijn.

“Ik heb juist heel veel plezier gehad aan het schrijven, en aan de ontdekking hoe nauwkeurig je geheugen werkt. Ik hoefde maar één moment van een dag op te roepen, en dan bleek dat die hele dag in mijn geheugen was opgeslagen. Ik heb het daar wel eens over gehad met A.F.Th. van der Heijden, die had precies hetzelfde: het beeld van een trommel waar een gat in zat, en hoe opa daar dan de ster van zijn pijptabak overheen plakte - dat beeld riep hij op, en dan kwam er een heel boek. Je krijgt inzicht in je eigen kop, dat is het mooie van schrijven.

“Tijdens het schrijven kon ik ook eindelijk benoemen dat ik altijd bezig ben geweest met het scheppen van mijn eigen wereldje. Op het instituut al, met het radiootje spelen waarover ik schrijf. Alles had ik binnen handbereik als ik daarmee bezig was: het mengpaneel, de microfoon, de cassetterecorder. En dat heb ik nu op het podium wéér. Het is jouw territorium, jij richt het precies zo in als je dat wilt. Het moet een soort behoefte zijn om alles totaal onder controle te hebben, die ik daarmee probeer te bevredigen. Noem het maar een overlevingsgevoel.”

Het cabaret kwam niet meteen in zijn leven. Eerst besloot hij Nederlands te gaan studeren, geïnspireerd door de verhalen van zijn oom Max van Rooy over diens journalistieke werk bij NRC Handelsblad: “Ik wist helemaal niet wat ik later wilde worden, maar oom Max kon zo prachtig vertellen over het schrijven voor de krant dat ik dacht: jááá, ik word literair journalist! Dus ben ik Nederlands gaan studeren. We hadden een geweldige hoogleraar, Oversteegen, die zei dat hij na het lezen van een boek wel eens tegen een muur liep of zijn teen stootte omdat hij dan nog helemaal in de wereld van dat boek zat. Dat herkende ik, dat je totaal wordt ondergedompeld in een wereld die je niet kent, en ik vond het prachtig te zien dat hij die liefde voor het boek had behouden, ondanks de klinische sfeer van de algemene literatuurwetenschap.”

Gettoïsering

Toen hij tijdens zijn studie hoorde dat de KRO en de Gehandicaptenraad een cabaretfestival hadden uitgeschreven, vond Vincent Bijlo dat aanvankelijk een afschuwwekkend voorbeeld van gettoïsering. Maar het maken van hardhandige grappen over handicaps stond hem wel aan, evenals de hoofdprijs (2000 gulden). Hij schreef een paar verhaaltjes en liedjes, leerde die uit zijn hoofd, en werd de winnaar. Daarop volgde, in mei 1988, een tweede prijs op het Leids Cabaretfestival. Een jaar later ging zijn eerste avondvullende voorstelling in première.

“Heel lang heb ik gedacht dat die eerste voorstelling een toevalstreffer was geweest. Maar mijn impresario zei: je kùnt het, en hier is de lijst met de honderd optredens van het volgend seizoen die ik voor je heb geboekt. Voor het tweede programma is toen op het toneel een soort doolhof gemaakt, waarlangs ik me kon bewegen. Dat was voor het publiek een aardig visueel effect, maar voor mij had het ook een symbolische betekenis: ik liep in een doolhof, ik wist niet hoe ik verder moest. De rol van mijn blindheid in de voorstelling vormde een groot dilemma. Zodra iemand zei dat ik daar nou maar eens over moest ophouden - dat wéten we nou wel - raakte ik ernstig in verwarring. Misschien hebben ze wel gelijk, dacht ik. Ik wierp me op de politiek en de actualiteit, al was het maar omdat ik de dwang voelde dat ik moest bewijzen dat ik het daar óók over kon hebben, net als ziende cabaretiers.

“Op het instituut werd je geleerd dat je net moet doen alsof je ziet. Mijn stokloopleraar zei altijd: je moet zó over straat kunnen lopen dat de mensen denken: hé, daar loopt een ziende. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Niemand zal ooit denken: daar loopt een ziende. Het begon er dus al mee dat je jezelf moest verloochenen. Je moest als blinde zo onopvallend mogelijk zijn. Terwijl je je op het podium nu juist zo opvallend mogelijk moet gedragen.

“In de voorstelling die ik nu speel, heb ik die dwang van me afgeworpen. Ik hou het nu veel dichter bij mezelf. Eindelijk heb ik mijn plaats gevonden, en wat een magisch moment is het om te ontdekken dat je zelf niet de enige bent die dat ziet. Het stond ook in alle recensies. Over politiek wil ik het nu alleen nog maar hebben als ik niet meer blijf steken in de algemeenheden, en het op mezelf kan betrekken. Ik zit nu op een spoor waar ik nog jarenlang op verder kan.

“Een roman schrijven wilde ik al heel lang. Maar wat me tegenhield, waren de onderzoekjes die ik bij literatuurwetenschappen heb gedaan naar de rol van het zintuig zien in de roman. Die bleek zó verschrikkelijk belangrijk te zijn; vrijwel alles wordt beschreven in beelden. Er bestaan bij mijn weten geen boeken die vanuit een blinde zijn geschreven. Borges is later blind geworden, dat wel, maar uit dat gezichtspunt heeft hij niet meer geschreven. Daarom heb ik Het instituut zo consequent vanuit het blinde jongetje geschreven - om te kijken of het mogelijk was dat compromisloos te doen. Ik moest me helemaal in hem verplaatsen en alleen beschrijven wat hij hoort en aanraakt. Verder niet. In mijn boek komt bijvoorbeeld geen enkele kleur voor. Mij is later verteld dat de kleur uit je wangen kan wegtrekken, maar het jongetje weet dat niet en zegt: ik voelde het bloed uit mijn wangen wegtrekken. Of: mijn wang werd koud. En ik kreeg een heel aardig compliment; het was zo beeldend geschreven, zei iemand.

“Voor mij is dit natuurlijk de oerthematiek. Wel vijf keer ben ik met een andere roman begonnen, maar al die beginnetjes heb ik verworpen. Het wàs wel wat, en het zal er ook nog wel eens uitkomen, maar het was het foute moment. Dit verhaal moest eerst.”