Een verontrustende momentopname

Helen Knopper: De bestemming. Kroniek van een kantelend evenwicht. Contact, 223 blz., ƒ 39,90

Getob over 'de verblijfplaats van het mededogen' is het thema van de roman waarmee Helen Knopper haar fascinerende maar onheilspellende trilogie Kroniek van een kantelend evenwicht afsluit. De titel van het laatste deel - De bestemming - lijkt geruststellender dan die van de twee voorgaande. Er gaat de suggestie van uit dat alles ooit terecht komt, dat er doelen worden bereikt en dat chaos verkeert in orde. In deel 1, De pretentie, spelend in 1991, het jaar van de Golfoorlog, kon het nog alle kanten uit met de hoofdrolspelers en hun omgeving. Maar het tweede deel, De terugtocht, liet van de pretentie dat de toekomst op wat voor manier dan ook 'maakbaar' zou zijn, al weinig meer over. In dat deel proberen de belangrijkste protagonisten (psychiater Mong, columniste Maaike Wanting en 'loser' Wouter van Westeinde, alledrie bewoners van de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt) achter de zin van hun bestaan te komen. Intussen verloedert hun buurt en vraagt de lezer zich af of die verloedering een afspiegeling is van de toestand waarin de personages werkelijk verkeren - en van alle menselijke machteloosheid in het algemeen.

Het antwoord op die vraag wordt gegeven in deel 3. Er is geen zin, geen doel, geen bestemming. Helen Knopper laat zich, ondanks haar ontvankelijkheid voor het transcendentale dat ze haar hoofdrolspelers laat zoeken in het christendom, de islam en het boedshisme, typeren als een cultuurpessimiste pur sang.

Van de drie figuren om wie de romancyclus draait, is psychiater en mensenvriend Mong de wijze man. Van hem is de uitspraak dat het bewijs van de machteloosheid der moderne psychiatrie geleverd wordt door het geloof in antidepressiva. Volgens hem is dat de weg van de minste weerstand, omdat er nog een andere behandelmethode bestaat: 'met een mens meegaan tot de bodem van zijn angst'. Maar daarvoor is een mate van mededogen nodig, die hij nergens aantreft. Niet in India waar hij boeddhistische tempels bezoekt, niet in de Nieuwmarktbuurt. Zijn goede kennis Maaike Wanting, een vrouw van in de zestig inmiddels, die er in haar columns flink op los moraliseert, schrijft in een onbewaakt ogenblik dat mensen per definitie geen mededogen kennen. 'Ze huilen uit schuldgevoel, dus om zichzelf. Heb jij weleens iemand zien huilen om het verdriet van een ander?'

In nuchtere toestand zou Mong het hier ongetwijfeld niet mee eens zijn. Maar in die toestand verkeert hij niet meer zodra hij door een skinhead te grazen wordt genomen die hem dwingt tot het slikken van hallucinerende pillen. Terwijl hij door de buurt loopt te trippen, komt ook Mong tot de conclusie 'dat ieder streven nooit iets anders ten doel heeft dan zelfbevrediging'. Ook bij hem blijkt het laagje beschaving niet dikker dan vernis te zijn, ook hij wordt het slachtoffer van wat hij zelf het kenmerk van de jaren negentig noemt: het 'Decennium van de Veraping' oftewel 'Het tijdperk van de Geestelijke Inflatie'. Iets luchthartigs valt er in dit decennium - en in de roman van Knopper - waarachtig niet te ontdekken.

De personificatie van deze uitzichtloze tijd is Wouter van Westeinde, de ooit briljante gymnasiast, wiens treurige geschiedenis we uit de vorige delen kennen. Uit zijn tweede huwelijk met het inmiddels in de gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting verblijvende punkmeisje Neel, heeft hij een lichtelijk geestelijk gehandicapt zoontje, Wampie, overgehouden. Dat kind lijkt zijn leven enige zin te geven, maar voor hoe lang? Naarmate er meer met hem mis gaat, fixeert hij zich zo op dat zoontje als enige levensdoel, dat hij een onherstelbare daad overweegt. Het is niet de geringste verdienste van Knoppers boek dat zij de drijfveren van deze Wouter doorgrondt - inderdaad door als schrijfster mee te gaan tot de bodem van de angst van haar personage. 'Als hij Wampie permanent uit de buurt van zijn moeder wilde houden, moest hij hem helemaal wegdoen. Hem aan de aarde teruggeven. Dan was hij gered. Uit de klauwen van een krankzinnige die hem geestelijk zou ontwrichten.'

Wouter is de briljantste van de drie volwassenen in het boek, maar tevens als enige atheïstisch en volkomen nihilistisch. Of hij zijn zoontje daadwerkelijk om het leven brengt, komen we niet met zekerheid te weten. Wouter besluit tot een illegale emigratie naar Nieuw-Zeeland waar hij zich met zijn kind (dat hij voor dat doel ontvoert) wil vestigen bij een neef met alleen een postbusnummer. De neef blijkt geheel onbetrouwbaar. Hij vertrekt in het najaar van 1996, zijn vriend Mong bang en verward achterlatend. De hele winter wacht Mong vergeefs op een levensteken 'Zo brak de lente van 1997 aan', laat Knopper haar roman en daarmee haar trilogie eindigen. Maar hier is de lente geen versleten metafoor voor nieuw leven, hoop en toekomst. Hier wordt de ondergang ingeleid. En wel met een ansichtkaart van Wouter, waarop de volgende, aan J.P. Donleavy's meedogenloze roman The Gingerman ontleende woorden: 'There was a man/ who made a boat/ To sail away/ and it sank.'

Niets helpt tegen de algehele inflatie, behalve wellicht - zoals Mong zegt - 'het gewone leven', omdat dat 'niet gewoon maar bijzonder is. En wat het bijzonder maakt, is het franjeloze mysterie van de volkomenheid.' Dat laatste kan, wat mij betreft, ook gezegd worden van de trilogie. Kroniek van een kantelend evenwicht is een verontrustende momentopname van een tijdperk waarin pretentieuze idealen uit de omloop zijn genomen, maar de naargeestige werkelijkheid ook geen soelaas biedt. Hopelijk geeft uitgeverij Contact de drie romans nog eens in een band uit. Dan zal nog duidelijker worden wat een schitterende literair-sociologische prestatie Helen Knopper met dit werk geleverd heeft.