Een molen op zee

Ook in Den Haag wordt heel wat georganiseerd, gecoördineerd en van pakkende slogans voorzien om de nodige toeristen te lokken. Maar volgens een enkeling onderscheidt de stad zich daarmee onvoldoende. Met wat echt spektakel voor de kust zou dat anders zijn.

'Royal The Hague', 'La Haye Royale', 'Königliches Den Haag' staat er in het logo met het gouden kroontje. Den Haag presenteert zich als toeristenstad van allure. Maar noblesse oblige. Dat vorstelijk vertoon moet wel waargemaakt worden. Gebeurt dat ook? Niet of nauwelijks. De paleizen Noordeinde en Huis ten Bosch zijn, in tegenstelling tot koninklijke paleizen in Londen en Kopenhagen, niet toegankelijk voor het publiek. Zelfs in de Koninklijke Stallen, waar de Gouden Koets bewaard wordt, zijn toeristen niet welkom. “Maar daar zijn we over bezig”, zegt Wilco de Jong, marketing manager van de Stichting Promotie Den Haag. De organisatie, die in 1990 is opgericht om het bezoek aan de stad te bevorderen, heeft moeite om de koninklijke pretenties waar te maken “Toch hebben we al iets bereikt”, vindt De Jong. “'s Zomers organiseren we een royal tour, een bustocht langs de paleizen. We mogen tegenwoordig over het terrein van Huis ten Bosch tot aan het hek voor het paleis rijden. Daar wordt gestopt, zodat de mensen foto's kunnen maken. Dat is toch heel leuk.”

Echt leuk voor de in royalty geïnteresseerde toerist wordt het pas als het Hofstad Museum gerealiseerd is. Dit museum zal de relatie tussen Oranje en de regering, en Oranje en Den Haag laten zien. Met het oog op buitenlandse bezoekers worden ook de banden tussen de Oranjes en andere Europese vorstenhuizen in beeld gebracht. Bij de uitvoering van de plannen speelt het Haags Historisch Museum een belangrijke rol. “Wij zullen onze Oranje-collectie ter beschikking stellen van het Hofstad Museum. Het Haags Historisch Museum zal dan een ander concept krijgen”, zegt hoofdconservator Michiel van der Mast. Om het Hofstad Museum te kunnen realiseren is volgens Van der Mast nu eerst geld nodig en een gebouw. “Er is een optie op een 17de-eeuws pand op het Buitenhof dat nu nog in gebruik is als kantoor voor de Tweede Kamer. Als het lukt om dat te krijgen, zal het toch nog wel enkele jaren duren voordat het museum er is.”

Voordat Den Haag zich koninklijk noemde, prees de stad zich aan met de kreet 'Den Haag bruist'. Dat was, zo bleek uit een onderzoek, niet de perceptie van de toerist. Hoewel dat misschien ook opgaat voor Royal The Hague blijft déze slogan gehandhaafd. “We zien het als een paraplu voor subproducten als Den Haag Cultuurstad, Den Haag Strandstad en Den Haag Congresstad. Het hangt van de markt af welke aspecten van Den Haag we aanbieden. In Noordrijn-Westfalen is het strand van Scheveningen het belangrijkste product. In de rest van Duitsland, in Frankrijk en in de mediterrane landen staat de cultuur centraal”, aldus De Jong van het Haagse promotiebureau.

Cultuur wordt voor het aantrekken van kapitaalkrachtige toeristen steeds belangrijker. Den Haag heeft daarom extra geld uitgetrokken voor verbetering en uitbreiding van het culturele aanbod en voor de promotie daarvan. Elke zes weken praten vertegenwoordigers van culturele instellingen, marketingmensen van het promotiebureau en gemeenteambtenaren over hoe ze van Den Haag een internationaal bekende cultuurstad kunnen maken. De Jong: “Ik heb de cultuursector eerst wel wakker moeten schudden, maar nu ziet iedereen het belang van cultuurpromotie in. De mentaliteit is heel anders dan een aantal jaren geleden. Want waarom was de Mondriaan-tentoonstelling in 1994 in het Haags Gemeentemuseum geen succes? Omdat we de aankondiging veel te laat kregen. Daardoor kon er nauwelijks promotie gemaakt worden. En waarom was de Vermeer-tentoonstelling in 1996 in het Mauritshuis wel een groot succes? Omdat we ruim van tevoren geïnformeerd waren.

“Rudi Fuchs, voormalig directeur van het Gemeentemuseum, zei destijds tegen mij dat bezoekersaantallen voor hem geen prioriteit hebben. Hij zei: 'Het gaat mij er om dat schilderijen goed hangen, goed belicht zijn en goed geconditioneerd zijn.' Die mentaliteit is gelukkig verdwenen uit Den Haag.”

Het Mauritshuis trok met zijn Vermeer-tentoonstelling 430.000 bezoekers, van wie 57 procent uit het buitenland afkomstig was. Door het buitenlands bezoek aan de tentoonstelling steeg het aantal overnachtingen in Haagse hotels met ruim 10 procent tot 764.821. Hotelovernachtingen meegerekend genereerde de tentoonstelling 131 miljoen gulden. Frederik Duparc, directeur van het Mauritshuis: “Wij hebben de horeca een fantastisch jaar bezorgd en ook winkels hebben ervan geprofiteerd. Maar er is vanuit de middenstand geen initiatief gekomen om iets terug te doen voor het museum. Kennelijk realiseert men zich niet dat wij ondernemer zijn geworden en ondernemersrisico lopen.”

Net als andere rijksmusea is het Mauritshuis drie jaar geleden verzelfstandigd. Sindsdien wordt nog maar 75 procent van de vaste lasten door de overheid gesubsidieerd. De rest moet uit entreegelden betaald worden. Duparc: “Vermeer was een enorm risico voor ons. We hebben daar 8 miljoen gulden ingestoken. Bij de begroting zijn we uitgegaan van 250.000 bezoekers. Doordat het er zoveel meer geworden zijn, hebben we er een substantieel bedrag aan overgehouden. Een deel van dat geld is belegd om een eigen kapitaal op te bouwen. Met de rest organiseren we tentoonstellingen waarvan we van tevoren weten dat er geld bij moet, tentoonstellingen voor de fijnproevers.” Zoals in alle musea, met uitzondering van die in Amsterdam, wordt het bezoek aan de vaste collectie steeds minder in het Mauritshuis. “Mensen in Nederland worden steeds meer evenementsgericht. Het Residentie Orkest loopt niet goed, maar als Yehudi Menuhin optreedt zit het vol. Zo is het ook bij het Mauritshuis. Als we bezoekers willen hebben, moeten we ten minste één keer per jaar een grote, spraakmakende tentoonstelling organiseren”, aldus Duparc.

Het succes van de Vermeer-tentoonstelling heeft iedereen in Den Haag overtuigd van het belang van een sterk cultureel product en imago. Onder regie van de Stichting Promotie Den Haag is vorig jaar een begin gemaakt met de kwaliteitsverhoging en uitbreiding van de cultuurtoeristische attracties. Het resultaat is dat zes Haagse musea hun gezamenlijk schilderijenbezit nu in de markt zetten onder de naam 'de Den Haag Collectie', dat de Haagse theaters samenwerken, dat er nieuwe festivals zijn opgezet en dat er culturele lezingen in de stad worden gehouden. Sinds januari zijn er ook architectuurrondleidingen, een initiatief van het architectuurplatform Wils & Co.

Er is veel gebeurd in één jaar tijd. Maar kan Den Haag zich daarmee onderscheiden, nu ook Amsterdam, Rotterdam en Utrecht hard werken aan verbetering van hun culturele aanbod en hun imago als cultuurstad, en steden in het buitenland precies hetzelfde doen? In feite is elke Europese stad van enige betekenis een concurrent voor Den Haag. Stedenbouwkundige Jan de Graaf, voorzitter van het Haagse architectuurplatform, vindt dat de Nederlandse steden met een zinloze ratrace bezig zijn. “Elke stad denkt uniek te zijn, maar er is heel weinig verschil in het culturele aanbod. Dat komt doordat het doelgroependenken inspeelt op bestaande behoeftes. Alle acties voor meer toerisme zijn gericht op de korte termijn en weinig innovatief”, zegt hij.

De Graaf, auteur van Coast Wise, een boek over architectuur en toerisme, noemt het toerisme “de levenswijze van de volgende eeuw”. Als Nederland in de toekomst als toeristenland wil meetellen, dan moet er volgens hem een attractie van wereldformaat komen, iets sensationeels als een archipel van 'wandelende' eilanden voor de kust. “Met zo'n dynamische archipel kan van de nood een deugd gemaakt worden: de eilanden beschermen de kust tegen de verhoging van de zeespiegel en fungeren tegelijkertijd als internationaal watersport-eldorado.”

Over andere functies van de eilanden wil De Graaf zich niet uitspreken. Daar moeten we met z'n allen over nadenken, vindt hij. De eilanden moeten in ieder geval een prachtige nieuwe horizon opleveren. “Geen Vinex-locaties voor de kust dus, maar een skyline zoals die van Manhattan, Venetië of Amsterdam. Maar er kan ook een boorplatform tussen zitten of een eiland met een gigantische molen erop. Madurodam is Nederland op verkleinde schaal. Waarom zou je dan niet een eiland maken met een molen die 40 keer zo groot is als normaal?”

Met het oog op het toerisme van de toekomst wil De Graaf in Nederland een discussie over de kust op gang brengen. Over twee maanden begint het openbaar debat over Nederland aan zee. De Graaf verwacht enthousiasme, maar ook weerstand. “Het stadsbestuur van Den Haag heeft zich al tegen zogeheten kustlocaties uitgesproken. Ik organiseer het debat dan ook buiten het stadsbestuur om. Ik doe dat samen met een aantal maatschappelijke organisaties. Het is niet meer zo dat overheden de regie voeren over dit soort dingen.” Dat Den Haag al bij voorbaat tegen een eilandenarchipel in zee is, stoort hem niet. “Het lijkt me een goede reden voor Rotterdam om er mee te beginnen.”