Een heel klein schaapje

Indertijd zongen wij op de zondagsschool vaak een versje waarvan de twee laatste regels luidden: 'Laat mij van die grote kudde, toch een heel klein schaapje zijn.'

Merkwaardig, een schaapje.

Sinds enige tijd houd ik, omdat ik er van mijn huis uit goed zicht op heb, voor een bevriende boer tweeëntwintig schapen in de gaten. Soms raakt er één in de sloot. Dan is snel handelen geboden. Ofschoon zo'n dier doorgaans slechts tot z'n knietjes in het water wegzakt, en desgewenst uren zou kunnen wachten tot er hulp opdaagt, geeft zo'n wolproducent er al na korte tijd de brui aan. Moedeloos laat hij zijn kop steeds dieper zakken. Tenslotte raakt de bek onder water. Zodra dat gebeurt, blijkt hij in no time verdronken te zijn. Snel je toe om hem uit de sloot te sjorren, dan schijnt hij totaal niet te beseffen dat je hem wil redden. Zonder enige medewerking van zijn kant moet je hem op de wal zien te krijgen. Ondertussen staan de eenentwintig anderen er sprakeloos om heen en kijken je met hun lieve BLO-ogen glazig aan. Het lijkt wel, kortom, of schapen het verschijnsel stupiditeit hebben uitgevonden.

Uitgerekend dit ongeëvenaarde toppunt van domheid onder de zoogdieren dient, vanaf Numeri 27 vers 17, door de hele bijbel heen als metafoor om de gelovige aan te duiden. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat hij weidt, 'de schapen zijner hand,' zegt psalm 95. En even verderop, in psalm 100, vinden we dezelfde gedachte aldus verwoordt: Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe, zijn volk, 'de schapen die hij weidt.' Overal, in Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Hosea, wordt de gelovige met een schaap vergeleken. In Micha 2 vers 12 lezen we: 'Voorzeker zal ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël. Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. Het zal er gonzen van mensen.'

In het Nieuwe Testament is het niet anders. Voor Jezus blijkt de schaap-metafoor uiterst bruikbaar en tot vervelens toe bedient hij zich ervan. De apotheose van deze beeldspraak vinden we in Johannes 10 waar Jezus zichzelf kwalificeert als de Goede Herder die zijn leven inzet voor de schapen.

Toch heb ik waarachtig één bijbelplaats gevonden waar het woord schaap in pejoratieve zin gebruikt wordt. Psalm 49: 'Dit is het lot van hen die op zichzelf vertrouwen, het einde van wie behagen scheppen in hun eigen woorden. Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen.'

Waarom wordt, afgezien van psalm 49, de gelovige door de hele Schrift heen goedgemutst met het onbenullige schaap vergeleken? Waarom wordt hij niet aangeduid als het schrandere varken, de goedgehumeurde hond, de sluwe aap, de wijze kater of de pientere dolfijn? Tegenover het schaap staat trouwens veelal de wolf. Alsof dat een weerzinwekkend dier zou zijn!

Waarom laat de gelovige zich overigens zo vanzelfsprekend aanleunen dat hij onophoudelijk met dat toppunt van sulligheid vergeleken wordt? Zou het misschien zijn omdat hij diep in zijn hart beseft dat je wel een Jantje Onnozel in het kwadraat moet zijn om al die onbedaarlijke apekool & lariekoek die zondag aan zondag vanaf de kansels verkondigd wordt ook maar één moment serieus te nemen? Anders valt toch niet te verklaren dat de gelovige die er door de week allicht aanstoot aan zou nemen om een stompzinnig schaap genoemd te worden, op zondag blijmoedig zingt: 'Want Hij is onze God en wij, zijn 't volk van zijne heerschappij, de schapen, die hij zijn hand wil weiden.'

Zoveel is zeker: hoe dommer je bent, hoe gemakkelijker het je valt om te geloven. In die zin blijkt de bijbelse schaap-metafoor uitermate treffend te zijn. En het is niet alleen de verbazingwekkende domheid van het schaap die er garant voor staat dat de gelovige een onthutsende schok der herkenning ondergaat bij de aanblik ervan, maar ook de spreekwoordelijke kudde-mentaliteit van dit aandoenlijke dier. Kijk ik naar buiten, dan blijken de 22 schapen waar ik op let altijd angstvallig in elkaars gezelschap te verkeren. Er is niet één dier bij dat zich nu eens fier afzondert van de groep en trots een eigen weg gaat. Bekommerd houden ze mekaar voortdurend in het oog. Misschien is dat haast nog onuitstaanbaarder dan die verpletterende onnozelheid. In de bijbel wordt die kudde-mentaliteit echter als een groot goed gezien. 'Nog andere schapen heb ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.' (Johannes 10 vers 16). Wat een vooruitzicht, je maag draait erbij om!

Ik herinner mij nog dat ik, toen ik zelf nog vaag gelovig was, ooit eens gedacht heb: zou 't feit dat Jezus de gelovigen zo gretig met schapen vergelijkt misschien kunnen duiden op een vorm van Goddelijke ironie? Zou Hij 't eigenlijk ook onuitstaanbaar vinden dat al die gelovigen zo slaafs, zo sullig, zo schaapachtig achter hem aan sjokken, en zou hij dat impliciet, en met fijne ironie, via die schapen-beeldspraak heel voorzichtig aan de kaak hebben willen stellen?

Er is in ieder geval één bijbelgedeelte waaruit je zou kunnen opmaken dat schaapachtigheid God wel degelijk de keel uit kan hangen. In Zacharia 11, de verzen 7 tot 12 blijkt God opeens genoeg van de wolligheid hebben. Hij spreekt over twee herdersstaven, de staf Liefelijkheid en de staf Samenbinding. Zeg maar de staven onnozelheid en kudde-mentaliteit. De staf Liefelijkheid wordt door God verbroken. En Zijn krachtigste tekst luidt als volgt: 'Ik wil u niet langer weiden, wat sterven gaat, sterve, en wat verdelgd dreigt te worden, worde verdelgd, en de overblijvenden mogen elkanders vlees eten.'