Edward W. Said: Orientalism, 1978

Edward W. Said: Orientalism. Penguin Books, 368 blz. ƒ 37,30

We zitten rustig en luisteren naar de monotone melodie van de Oriënt, schreef de Britse ontdekkingsreiziger Richard Burton in 1853 over zijn verblijf in het Egyptische Alexandrië. 'De nachtelijke bries waait door een hemel vol sterren en wuivende boomtoppen, met een zachte stem vol melancholie.'

Burton genoot van wat de Arabieren noemen de kayf, een vorm van dronkenschap of roes die hij omschreef als 'een passief plezier in sensualiteit, dromerige rust, een aanleg voor zinnelijkheid die niet bekend is in noordelijker streken waar Ernst ist das Leben'. En voor ernst was deze Victoriaanse vrijbuiter niet naar de Oriënt gekomen.

Burton is een van de negentiende-eeuwse Europeanen die het voor hun kiezen krijgen in Edward Saids Orientalism, een aanklacht tegen het eurocentrisme van de oriëntalistiek, de academische discipline die zich bezighoudt met 'het Oosten', van Marokko tot China. Kern van Saids boek is zijn koppeling van de oriëntalistiek aan het imperialisme. Het 'wetenschappelijke' beeld van oosterse landen als duister, sensueel en kinderlijk - het tegendeel van het heldere, rationele en volwassen Europa - stond in dienst van hun politieke en economische knechting. 'Mijn stelling', aldus Said, 'luidt dat oriëntalisme in wezen een politieke doctrine is'.

Hij onderbouwde die stelling met een venijnige lijkschouwing op Europese oriëntalisten, filosofen en schrijvers als Edward William Lane, Friedrich Schlegel, Richard Burton en Ernest Renan. In het werk van al deze auteurs vierden, tussen de regels of openlijk, etnocentrisme en racisme hoogtij. 'Ik ben ervan overtuigd dat oriëntalistiek meer betekenis heeft als een uiting van de Europees-Atlantische macht over de Oriënt dan als een op waarheid gericht vertoog', schreef Said in zijn Inleiding.

Methodologisch viel er op dit j'accuse wel het een en ander af te dingen, al stond dat de warme ontvangst die het boek onder intellectuelen kreeg niet in de weg. Zo gebruikte Said verschillende betekenissen van oriëntalistiek door elkaar (een academische, een literaire en een institutionele), waardoor schrijvers en vakwetenschappers op één hoop werden gegooid. Ook legde hij nergens uit hoe de oriëntalistiek het imperialisme nu precies heeft geholpen; de historische werkelijkheid was veeleer dat wetenschap en imperialisme niet zelden op gespannen voet met elkaar stonden. De indologie kwam bovendien tot bloei in Duitsland, dat weliswaar een rijke romantische traditie over het Oosten kende, maar nauwelijks een imperialistische.

Met Orientalism verwierf de Palestijnse Amerikaan Said, hoogleraar Engels aan Columbia University in New York, zich desondanks internationale faam. Zijn polemische 'ontmaskering' van de oriëntalistiek als een westers beheersingsinstrument, sloot aan bij het 'maatschappijkritische' klimaat van de jaren zeventig. Zijn werk en publieke optreden - Said was vanaf 1975 lid van de Palestijnse Nationale Raad en publiceerde veel over het Palestijnse vraagstuk - maakten hem in het kielzog van Michel Foucault en Noam Chomsky tot het prototype van de kritische intellectueel.

Als filosofische inspiratiebron voor Orientalism gebruikte Said vooral het werk van Foucault, die in Archéologie du savoir had betoogd dat kennis en waarheid worden 'geconstrueerd' en dat achter elk wetenschappelijk 'discours' historische en politieke en machtsverhoudingen schuilgaan. Meer op de achtergrond was, net als bij Foucault, de stem te horen van Friedrich Nietzsche, die in alle wetenschap en filosofie een 'wil tot macht' werkzaam zag.

Said had in zijn boek overigens wel oog voor de ambivalenties van de westerse fascinatie met het Oosten. Zo wees hij op de dubbelzinnigheden in het leven van de romanticus Richard Burton, die de rol van rebel tegen het bloedeloze Europa had verenigd met die van agent van het Britse imperialisme. Maar uiteindelijk was in Orientalism de wetenschappelijke traditie toch 'corrupt' en iedere Europeaan, voorzover hij het idioom van de oriëntalistiek bezigde, 'een racist, een imperialist en een etnocentrist'.

In de Verenigde Staten gaf Saids boek een nieuwe impuls aan het jonge terrein van de cultural studies, het kritische onderzoek naar onderdrukkende 'vertogen' in een door witte mannen beheerste wereld. In academische kring werden deze culturele studies voor linkse intellectuelen wat 'de lange mars door de instituties' op maatschappelijk gebied moest zijn: een ondermijning van het kapitalistische wittemannenbolwerk van binnenuit. Said zelf vulde zijn geruchtmakende studie aan met Covering Islam, een monografie over de stigmatiserende manier waarop de westerse media over de islam berichten.

Twintig jaar later tieren cultural studies nog welig aan de Amerikaanse universiteiten, maar zijn ook de uitwassen ervan zichtbaar geworden, in zuivering van curricula en boekenlijsten op 'politieke correctheid', en in intellectuele fantasieën zoals de overtuiging dat de Griekse beschaving van Afrikaanse origine was. De gelijkstelling van waarheid met wil tot macht bleek fnuikend voor het intellectuele debat. Wie bijvoorbeeld de theorie dat de Griekse beschaving afkomstig is uit Afrika wil bestrijden, laadt de verdenking op zich dat hij een verdediger is van blanke Europese superioriteit, en behoeft dus geen zakelijk weerwoord.

Ook Orientalism vertoont, ondanks indringende voorbeelden van Westers etnocentrisme, die zwakke plek. Met de vaststelling dat bepaalde kennis voortspruit uit een imperialistische context, is immers nog niets gezegd over de juistheid van die kennis. Dat klassieke onderscheid was niet besteed aan de auteur van Orientalism en aan vele anderen in de Amerikaanse sociale wetenschappen die, met Nietzsche, de opvatting huldigen dat waarheid uiteindelijk een afgeleide is van macht. Maar helaas voor hen: als dat zo is, dan heeft het imperialisme altijd gelijk.

Saids achilleshiel is zijn ambivalente verhouding tot de notie van universele waarden. Hij rebelleert tegen het imperialisme omdat het de werkelijkheid van de Oriënt vertekent, en de emancipatie van zijn bevolking in de weg staat - maar uit naam waarvan? Waarheid en vrijheid soms? Zoals Christopher Norris opmerkt in Truth and the Ethics of Criticism (1994): 'Net als bij Foucault, is er bij Said een schrijnende discrepantie tussen de morele passie - de passie voor waarheid en vrijheid - waarmee hij zijn aanklacht verdedigt, en zijn theoretische weigering om een normatief kader te hanteren op grond waarvan die aanklacht kan worden gerechtvaardigd.' Said 'hunkert naar universele normen, maar wantrouwt objectiviteit', zei ooit een andere criticus, de Nederlandse politicus Frits Bolkestein.

In zijn latere werk Culture and Imperialism (1992) laat Said zich genuanceerder uit dan in Orientalism. De oorlogen in Bosnië en Tsjetsjenië en het fundamentalisme in Iran en Afghanistan waren ontnuchterende ervaringen geworden voor de anti-imperialistische apologeten van lokale autonomie en 'eigenheid'. Ook Said signaleerde nu een 'tribalisme dat samenlevingen fragmenteert, mensen uit elkaar drijft, en dat hebzucht en bloeddorst stimuleert, evenals oninteressante claims op etnische eigenschappen of groepskenmerken'. Het was een volte face waaraan een zekere intellectuele stuurloosheid niet vreemd leek.

Persoonlijk raakte hij halverwege de jaren negentig verstrikt in zijn engagement met de Palestijnse zaak. Hij brak met zijn held Yasser Arafat, toen die in Oslo tot zijn ongenoegen vredesbesprekingen aanknoopte met Israel. De vrijheidsstrijder bleek 'een man zonder ontwikkeling'. Said kreeg de rekening gepresenteerd in 1996, toen het Palestijnse ministerie van Informatie en Cultuur zijn boeken verbood.

De 'Oriënt' bleek eens temeer een complex oord, zelfs voor een anti-oriëntalist.