Dit decor is nooit af

George Tsypin, de decorontwerper van Pierre Audi's Die Walküre, heeft zes jaar terug in een galerie in New York zijn tekeningen en sculpturen tentoongesteld. Meer vermeldt het programmaboekje niet over hem als beeldend kunstenaar. Klaarblijkelijk hecht Tsypin, die decorontwerp en architectuur heeft gestudeerd, niet aan het decorum van het beeldend kunstenaarschap en misschien heeft hij daar gelijk in.

Tentoonstellingen missen vrijwel altijd de dynamiek die bij het maken van iets hoort, bij het geploeter van zoeken en fouten maken en de euforie als de oplossing is gevonden. Een tentoonstelling toont een produkt dat àf is en zoals Paul Valery ooit schreef: 'Wat af is, is niet gemaakt.'

Een decor, en zeker het decor dat Tsypin nu voor Wagner's opera heeft gemaakt, is nooit af. Of liever, als het af is begint een volstrekt nieuwe dynamiek: die van mensen die erin ronddwalen, schrijdend als koningen of kruipend als wormen, verscheurd, op zoek naar zekerheid of een veilige plek, elkaar uit volle borst vervloekend of liefhebbend. Het decor is hun, nee is dé wereld, niet meer dan een tijdelijk onderkomen dat bovendien zijn eigen wetten stelt.

De wereld van Siegmund en Sieglinde, de broer en zuster die elkaars geliefden zijn, is tegelijk die van de god Wotan, zijn vrouw Fricka en dochter Brünnhilde: ruimte en tijd zijn er vloeibare begrippen, aarde en kosmos verglijden in elkaar. Mensen en goden bevinden zich in het tweede segment van een geschiedenis die in totaal uit vier delen bestaat. Dit tweede segment, die Walküre, is een hellend vlak. Gigantisch als een ronde plak uit een reuzenboom of de hout geworden ring van een planeet, glijdt het in een oneindig trage beweging naar voren, het centrum open als een zwart gat. In dat gat buldert en fluistert het orkest.

Dit is de levensweg, beheerst door krachten waar zelfs de goden controle over kunnen verliezen. Ieder onderkomen, ieder voorwerp, is er niet meer dan een idee en zo heeft Tsypin ze ook geconstrueerd. Het huis, klein, open en met een ontroerend menselijk puntdakje, staat op een bundel scherp gepunte staven die schuin boven de hoofden van de orkestleden naar voren priemen. Het huis zal in vlammen opgaan zoals ook de bodem zal branden, in smalle, huppelende vuren om tenslotte doorstraald te worden door een hemels licht.

Tsypin moet een gedegen kennis hebben van het werk van Italiaanse kunstenaars als Kounellis en Cucchi. De vuren, het vrij zwevende huis, de staven als geleiders van kosmische krachten: ze herinnerden mij aan hun tekeningen en sculpturen. Maar zelfs als hun beelden hem als inspiratie hebben gediend dan heeft hij ze een nieuwe ziel gegeven. Een ziel die bijna fysiek op je inwerkt, je meesleurt naar ongeziene werelden, waar het leven is als de dood: groots en meeslepend.