De roman is een Grieks product

Periklis Sfyridis: Uit de eerste hand. Styx Publications, 72 blz. Uit het Grieks vertaald door Anneke de Reuver. ƒ 29,50

Ga de klokken luiden, moderne Griekse verhalen. Meulenhoff, 231 blz. Vertaald door Hero Hokwerda. ƒ 39,90

Pavlos Matesis: De Moeder van de hond. Bert Bakker, 236 blz. Vertaald door Hero Hokwerda. ƒ 34,90

Eind vorig jaar zijn er, in Nederlandse vertaling, twee Griekse verhalenbundels uitgekomen. Uit de eerste hand bevat vijf verhalen van de in Thessaloniki wonende arts Periklís Sfyrídis, vertaald door Anneke de Reuver. Ze zijn alle ontleend aan de medische wereld, waar deze zich ziet geconfronteerd met juridische, sociale en ethische problemen: euthanasie, aidsbesmetting, de duurte van ingrepen (het 'envelopje' waarin extra geld moet worden betaald is in Griekenland berucht).

De, soms schokkende, verhalen laten zich vlot lezen, vooral ook doordat de onderwerpen intrigerend zijn. De auteur weet de problematiek knap onder woorden te brengen en te dramatiseren, waarbij echter opvalt dat hij het vrijwel geheel van de dialoog moet hebben. Doordat die een sluitende weergave moet worden van de problematiek, wordt ze hier en daar wat erg theoretisch. De schrijver deinst er bijvoorbeeld niet voor terug stukken van de gesproken tekst tussen haakjes te zetten, wat natuurlijk niet kan. De vertaling is uitstekend.

Er staat ook een goed verteld verhaal van Sfyrídis in de bundel Ga de klokken luiden. Onder die titel bracht de vertaler uit het Nieuwgrieks Hero Hokwerda 25 korte verhalen uit de Griekse literatuur van na 1974 bijeen. Hij heeft er een voortreffelijk nawoord aan toegevoegd, waarin hij de hele, nogal bewogen geschiedenis van de Griekse taal - en van het volk - van de laatste twee eeuwen uit de doeken doet.

De verhalen zijn zeer wisselend, van onderwerp maar ook van kwaliteit. De slotindruk is dat de Grieken geen geboren short-storyschrijvers zijn. Er zijn ook eigenlijk maar weinig echte 'verhalen' bij. Vaak gaat het meer in de richting van een schets of een relaas, er is veel beschouwelijkheid en een met-zichzelf-bezig-zijn - maar liefst zestien bijdragen staan in de ik-vorm - en er duikt soms een zwaarte-op-de-hand op die men bij de Grieken juist niet veel tegenkomt.

Opvallend is dat slechts één verhaal teruggrijpt op de periode van bezetting en burgeroorlog (1941-49) die zo'n greep heeft gehad op de Griekse literatuur, inclusief poëzie (de 'overlevingspoëzie'). Dit is een uitvloeisel van het feit dat de vertaler heeft gekozen voor de generatie van na 1974. De kolonelsjunta (1967-74) spookt nog wel door, in twee bijdragen. In één raak stukje - maar geen verhaal - van Maro Douka klinkt spijt door over het verschijnsel dat de omgang en de gesprekken in de periode na de junta zo banaal zijn geworden. Een dergelijke impressie - weer geen verhaal - vormt het verslag dat Thanasis Valtinós geeft van een bezoek aan vrienden in Australië, die net doen of ze geen heimwee hebben.

Dat de roman een Grieks product bij uitstek is bewijst intussen dezelfde Hero Hokwerda dit jaar met zijn vertaling van De Moeder van de Hond, van Pávlos Mátesis, een auteur die ook veel voor toneel schrijft. Hoofdpersoon is een 'toneelspeelster' op jaren, die niet beseft hoe zielig ze is. De vrouw heeft nooit veel meer dan figurantenrollen gekregen, maar is toch best tevreden over haar carrière en ook over haar uiterlijke verschijning waaraan menige collega haar vingers kan aflikken, zo denkt ze.

Het hele boek is van een hartverscheurende humor, omdat alle misère van bezetting en burgeroorlog en van het leven in een kleine provinciestad bizarre details oplevert die, juist als de situatie op haar ergst lijkt te zijn, toch weer op de lachspieren werken. Het wordt allemaal verteld op spreektoon en bijzonder chaotisch, steeds teruggrijpend op het verleden of vooruitlopend op de toekomst, in herhalingen vallend of zijwegen betredend. Aan het woord is een domme maar onbevangen en roerende vrouw, die geen kwaad woord wil horen over haar moeder. Deze heeft het, om tijdens de bezetting haar kinderen te blijven voeden, aangelegd met twee Italiaanse militairen - let wel: niet allebei tegelijk - en is daarom kaalgeschoren na de bevrijding ('of hoe je die noemen wilt').

De manier van vertellen doet een beetje denken aan de magistrale, ook door Hokwerda vertaalde roman Het Derde Huwelijk van Kostas Tachtsís, een overigens veel ingewikkelder familiekroniek. Ik had er wel problemen mee dat bij het naderen van het einde tot twee keer toe de 'ik' een 'zij' wordt, al heb ik een vermoeden waar dit op teruggaat: een soort verdringing. Het doet wel even afbreuk aan de bekende ene adem waarmee men deze roman uitleest. En het enige bezwaar dat ik tegen de mooie vertaling heb is, dat het veelvuldig voorkomende woordje 'edoch' een beetje uit de toon valt van degene die aan het woord is.