De historicus als bedreigde diersoort; Over geschiedbeoefening en postmodernisme

Richard Evans: In defence of history. Granta Books, 307 blz., ƒ 64,30

Keith Windschuttle: The killing of history. How litary critics and social theorists are murdering our past. The Free Press, 298 blz., ƒ 58,75

Er was er eens een tijd dat het beoefenen van geschiedenis betrekkelijk eenvoudig leek. Als historici iets over het verleden wilden weten, onderzochten ze de relevante bronnen om op basis daarvan hun vragen te beantwoorden. Al naar gelang deze bronnen betrouwbaar, consistent en volledig bleken, was de beantwoording een moeilijke of een makkelijke zaak, maar altijd werd de historische weg van vraag naar antwoord met behulp van kritisch bronnenonderzoek geplaveid.

Deze werkwijze van historici was eenvoudig te verklaren. De bronnenkritiek was hun instrument om oorspronkelijke (primaire) van niet-oorspronkelijke (secundaire) getuigenissen en documenten te onderscheiden en om de betrouwbaarheid van historische informatie te bepalen. Primaire bronnen waren verreweg het geschiktst om de waarheid omtrent het verleden aan het licht brengen omdat alleen zij informatie bevatten van mensen die er zelf bij waren geweest. Het kritische bronnenonderzoek werd dan ook als het onderscheidende kenmerk beschouwd tussen de wetenschapppelijke en de niet-wetenschappelijke omgang met het verleden. Het was de scheidswand tussen feit en fictie, die historici alleen ten koste van professionele zelfmoord negeren konden.

Deze tijd ligt volgens de Britse historicus Richard Evans en zijn Australische collega Keith Windschuttle inmiddels helaas ver achter ons. In Evans' In defence of history en in Windschuttles The killing of history is de grote boosdoener het postmodernisme. Beide auteurs hebben zich daar behoorlijk boos over gemaakt en gezien de universitaire context in het Angelsaksische taalgebied is dat niet onbegrijpelijk. De traditionele letteren- en sociale faculteiten werden daar de laatste twintig jaar niet alleen financieel uitgekleed en door de politieke mangel gehaald, maar ook vaak in modieuze en marktgeoriënteerde interdisciplinaire thema-studies geïntegreerd. We hebben het dan over 'cultural studies', 'media studies', 'management studies', 'gender studies' etc., waarin disciplinaire specialisaties ontbreken en waar velen zich tot Windschuttle's grote ergernis desondanks als historicus afficheren. Verdisconteer daarbij dat in Australië de hogere beroepsopleidingen van de ene op de andere dag een universitaire status cadeau kregen, en het laat zich raden over wat voor 'collega-historici' Windschuttle zich zo opwindt.

Al deze universitaire 'modernisering' kon volgens beide auteurs inhoudelijk grote gevolgen hebben door het gelijktijdige oprukken van het postmodernisme. De postmoderne 'linguistic turn', die de talige dimensie van alle voorstellingen van de werkelijkheid beklemtoont, heeft voor de geschiedbeoefening namelijk verstrekkende consequenties gehad. Zijn primaire bronnen immers niet gewoon verhalen over wat bepaalde personen vanuit hun beperkte gezichtspunt voor 'de werkelijkheid' versleten? En waren die personen niet hoofdzakelijk wit, bemiddeld, heteroseksueel en mannelijk? Spelen niet precies dezelfde problemen in de 'vertogen' alias 'discourses', waarin historici naderhand op hun beurt weer hun voorstellingen van het verleden 'representeren'?

De postmoderne scepsis op dit punt is extra gevoed door het van Hayden White afkomstige idee dat alle verhalen over het verleden literaire en dus fictionele elementen - zoals metaforen en plotstructuren - bevatten, die niet in het verleden zelf te vinden zijn. Dit 'inzicht' heeft tot een algehele twijfel onder postmodernisten geleid aan het vermogen van de taal om de werkelijkheid adequaat weer te geven en dus tot een algehele twijfel aan noties als waarheid en objectiviteit. De vooronderstelling dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen primaire en secundaire bronnen legt dan ook vervolgens het loodje: als talige representaties altijd in zekere zin 'fictioneel' zijn, belichaamt het idee dat primaire bronnen een objectief 'venster' op het verleden bieden natuurlijk niet veel meer dan een 'naïeve werkelijkheidsillusie'. Waarom zou je je dan nog als 'historicus' met vermoeiend bronnenonderzoek bezighouden - temeer als je daar nooit fatsoenlijk voor bent opgeleid?

Overtuigend

In zijn boek In defence of history verdedigt Evans de geschiedwetenschap tegen dit soort postmoderne argumenten, waarbij hij tegelijkertijd de zin en de onzin in de 'no sources but discourses'-visie op de geschiedbeoefening probeert te ontrafelen. Hij doet dat aan de hand van twee bekende inleidingen tot de geschiedenis uit de jaren zestig, namelijk E.H. Carr's What is history? en G.R. Elton's The practice of history. De keuze voor deze twee referentiepunten heeft alles te maken met een recent boek van een Engelse postmodernist, On What is history? From Carr and Elton to Rorty and White van ene Keith Jenkins. Jenkins beargumenteert daarin dat we anno 1995 de beschouwingen over de geschiedenis van de historici Carr en Elton beter voor die van de postmoderne filosofen Rorty en White in kunnen ruilen. Evans is het daar hardgrondig mee oneens. Het is zijns inziens veel beter om de beschouwingen van Carr en Elton te 'updaten' en dat is dan ook wat hij doet, waarbij hij zich meer door Carr dan door Elton laat leiden. De helft van Evans hoofdstukken (History, science and morality, Historians and their facts, Causation in history, Society and the individual) draagt zelfs precies dezelfde titel als hoofdstukken in Carr's boek. Daarnaast behandelt hij - net als Carr - de geschiedenis van de geschiedschrijving in vogelvlucht en staat hij in twee aparte hoofdstukken stil bij de specifiek postmoderne thema's bronnen en vertogen en 'kennis en macht', en last but not least bij objectiviteit en haar grenzen. Het is een hartstochtelijk pleidooi geworden van een historicus die op grond van overtuigende argumenten weigert afstand te doen van de waarheids- en objectiviteitsclaims van de geschiedwetenschap en die niet bereid is het postmoderne credo 'no causes but discourses' over te nemen.

Karikaturaal

Dat betekent niet dat er geen problemen aan Evans boek kleven. Een eerste probleem is dat hij zijn kruit vooral verschiet op vulgaire postmodernisten en meestal niet de sterkste tegenstander uitkiest. Het signaleren van interne tegenstrijdigheden in de argumentaties van Keith Jenkins en een Patrick Joyce (zoals 'het ontkennen van feiten' en het zich er tegelijkertijd op beroepen) is nu eenmaal eenvoudiger dan bij een Jacques Derrida en een Michel Foucault. En waar hij deze voormannen van het postmodernisme op de korrel neemt, laat hij ze zelden in hun complexiteit of van hun sterkste kant zien.

Evans interpretatie van de inspiratiebronnen van het postmodernisme vertoont dan ook enigszins karikaturale trekken. Zo verklaart hij de opkomst van het postmoderne gedachtegoed alleen uit de frustraties van de linkse academische intelligentsia. Door zich zo blind te staren op de evidente onzin van bepaalde postmodernisten mist hij de samenhang tussen de opkomst van het postmodernisme en de historisch gezien begrijpelijke kritiek op het Verlichtings- en totalitaire denken van na 1945.

Evans verwerpt de postmoderne benaderingswijzen van de geschiedenis overigens niet. Integendeel, hij erkent dat het postmodernisme met zijn nadruk op het belang van taal en identiteit een verrijking voor de geschiedbeoefening betekent, maar hij verzet zich alleen tegen postmoderne totaliteitsclaims ('alle geschiedenis is de geschiedenis van teksten') en tegen postmoderne karikaturen van de geschiedbeoefening. De fixatie van postmoderne geschiedtheoretici als Lacapra en Ankersmit op taal en teksten herleidt hij tot hun preoccupatie met de intellectuele geschiedenis. Er is echter geen enkele goede reden om aan te nemen dat alle historici het pad van de intellectuele geschiedenis zouden moeten inslaan en daarom bepleit Evans terecht een theoretische en methodische pluriformiteit.

Een tweede en met het vorige samenhangend probleem met Evans boek is dat hij filosofisch gezien regelmatig te kort door de bocht gaat. Zijn behandeling van de problematiek van de causaliteit en de historische verklaring, van feit en interpretatie en tot slot van waarheid en objectiviteit is gezien de stand van de discussie over deze thema's niet altijd even bevredigend. Ook haalt hij feiten en gebeurtenissen soms door elkaar en zou ik persoonlijk graag willen weten waarom de cholera-epidemie van 1892 in Hamburg precies twaalf soorten oorzaken heeft (p.145 e.v.). Maar het is natuurlijk alleen een filosofische kniesoor die daarom maalt want Evans is verder een heldere en levendige gids voor wie wat meer over geschiedenis en postmodernisme wil weten.

Zwakzinnigheid

Was Evans merkbaar geïrriteerd over de postmoderne 'invasie' van het verleden, Windschuttle is ronduit woedend. Hij is niet van plan deze 'moordaanslag op het verleden' over zijn kant te laten gaan. Het object van zijn kritiek betreft vooral het postmoderne 'differentie-denken', dat bij Evans veel minder aan bod komt. Daardoor vullen beide boeken elkaar mooi aan. Dit denken komt neer op de erkenning van het radicale verschil ofwel anders-zijn van De Ander en zijn/haar Cultuur, waarbij het om De Indiaan, De Vrouw, De Maori of een Andere Ander kan gaan. Methodologisch mondt dit differentie-denken vaak uit in een cultureel determinisme en kennistheoretisch in een totaal relativisme, waarbij waarheidsaanspraken tot cultureel gedefinieerde collectieven worden beperkt. De consequentie van deze zienswijze is dat vrouwen alleen in staat worden geacht om kennis over andere vrouwen te verzamelen, Indianen alleen over andere Indianen etc. Windschuttle beschouwt dit idee als een gevaarlijke vorm van zwakzinnigheid. Hij stelt zich dan ook min of meer ten doel te bewijzen dat postmodernisten met al hun gezever over taal zelf nooit geleerd hebben om fatsoenlijk te denken en te schrijven. In afzonderlijke hoofdstukken neemt hij diverse controversen onder de loep - zoals de controverse over de verovering van Amerika, de dood van Captain Cook in de Pacific, over het einde van de geschiedenis en het relativismedebat in de wetenschapsfilosofie - waarbij echte of vermeende postmodernisten betrokken zijn geweest. Van elk van deze debatten geeft hij een reconstructie van de argumenten, die meestal uitloopt op de constatering dat de postmoderne argumenten in het debat (Todorov, Sahlins, Lyotard, Kuhn) op z'n best inconsistent en op z'n slechtst waanzinnig zijn geweest. Dat de Franse 'maître-penseurs' uit Parijs toch al enige tijd wereldwijd op serieuze aandacht mogen rekenen blijft dan ook voor Windschuttle een raadsel van wereldformaat. Net als Evans beschouwt hij het postmoderne gedachtegoed vooral als het geesteskind van gefrustreerde marxisten, hoewel hij bepaalde elementen - zoals het 'einde van de geschiedenis'-idee - via Heidegger op gefrustreerde nazi's herleidt, die niet hebben kunnen verkroppen dat hun Duizendjarig Rijk slechts twaalf jaar duurde. Een intrigererende interpretatie, zoveel is zeker.

Toch is het voor auteurs meestal beter om pas te gaan schrijven als de woede een beetje is gezakt en dat geldt ook voor Windschuttle. Met een rode waas voor zijn ogen draaft hij regelmatig door. Zo bezorgt het idee dat feitelijke constateringen met theoretische kaders variëren - een algemeen geaccepteerd inzicht van de wetenschapsfilosofie van de laatste halve eeuw - hem zo ongeveer een koliek. 'Ontoelaatbaar relativisme', luidt zijn aanklacht en in dat verband nagelt hij niet alleen Thomas Kuhn en Paul Feyerabend aan de paal, maar in één moeite door ook Karl Popper en Imre Lakatos, die beiden als critici van het relativisme naam hebben gemaakt. Dat is jammer, want zijn boek bevat ook veel zinnige analyses en argumenten.

In zijn nawoord bedankt de auteur collega's die hem in deze moeilijke postmoderne tijden gesteund hebben om zijn boek te voltooien. Zij hadden hem vermoedelijk een betere dienst bewezen door hem ook een beetje tegen zichzelf in bescherming te nemen.