Caraïben vechten voor hun bananen

Bananen-exporterende landen in het Caraïbisch gebied vrezen de gevolgen van een aanpassing van het importbeleid van de Europese Unie. Deze week bezocht een pressiegroep Den Haag. “Wij vechten voor ons bestaan.”

DEN HAAG, 6 FEBR. De bananenoorlog is in haar laatste fase. De jarenlang voortslepende discussie over het bananen-importbeleid van de Europese Unie moet voor het einde van dit jaar zijn opgelost. Gisteren lichtten vertegenwoordigers van de Caribbean Banana Exporters Association bij het ministerie van Landbouw hun standpunt toe.

“Wij vechten momenteel voor ons bestaan”, zegt Courtenay Rattray, de Jamaicaanse vertegenwoordiger van de Caraïbische lobbygroep. “Van de aanpassing van de huidige importregeling hangt ontzettend veel af.” Het Caraïbisch gebied profiteert nu nog van de importbeperkingen die de EU hanteert op de invoer van goedkope Latijns-Amerikaanse bananen.

Tijdens de conferentie van Lomé in de jaren zeventig kreeg een groep vroegere Europese koloniën heffing-vrije toegang tot de markt van de EU. Zonder de voorkeursbehandeling maakten deze landen uit Afrika, het Caraïbisch gebied en de Pacific (ACP-landen) weinig kans tegen Latijns-Amerika. Daar worden bananen geteeld door grote en efficiënte ondernemingen als Chiquita, Dole en Delmonte. “Bij ons worden bananen verbouwd door kleine boeren. De productiekosten zijn daardoor ruim twee keer zo hoog”, zegt Rattray.

Vorig jaar veroordeelde de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de Europese importregeling, na een klacht van Ecuador, Honduras, Guatemala en Mexico. De klacht werd gesteund door de Verenigde Staten, omdat veel Latijns-Amerikaanse plantages in Amerikaanse handen zijn. Voor het einde van dit jaar moet de EU haar importregels hebben aangepast.

Volgens Rattray bestaat het gevaar dat de Caraïbische landen “volledig uit de markt worden geveegd.” De betekenis van de bananenexport voor de werkgelegenheid en het nationaal inkomen in het Caraïbisch gebied is groot. Op sommige eilanden bepaalt de export 15 tot 17 procent van het bruto binnenlands product. Dat is veel in vergelijking met andere bananenexporterende landen. “Voor Mexico, een van de klagers bij de WTO, levert de export maar een BBP-bijdrage van 0.02 procent.”

Rattray ziet het somber in: “De vernietiging van onze economie zal leiden tot sociale onrust, en ten koste gaan van het toerisme in de regio.” De suggestie om over te schakelen op andere producten wijst hij van de hand. “De markt voor agrarische producten is al verdeeld. Bovendien is bananenteelt uitermate geschikt voor de kleine Caraïbische boeren. Er kan het hele jaar door wekelijks worden geoogst, waardoor het inkomen constant is.”

Ook efficiënter produceren, waarbij de EU helpt via irrigatieprojecten, zet weinig zoden aan de dijk. De productiekosten in Latijns-Amerika zijn zo laag dat daar nooit mee te concurreren valt. “Wij zetten in op een geringe aanpassing van de bestaande importregeling.” De vertegenwoordigers van de CBEA twijfelen aan de Nederlandse steun. “Nederland neigt historisch gezien naar het vrije-marktprincipe. Je zou misschien verwachten dat zij wat meer oog had voor de belangen van de bananenproducenten in Suriname.”