Brieven aan het Concertgebouworkest; 'Bij u te dirigeren beschouw ik als plezier'

“Het honorarium dat u mij voor Amsterdam aanbiedt, accepteer ik gewoon”, schreef Gustav Mahler aan Willem Mengelberg. Hoe het dagelijks leven van het Concertgebouworkest eruit zag tussen 1904 en 1922 blijkt uit de correspondentie. Volgende week verschijnt een boek met de brieven van onder meer Schönberg en Debussy.

Het boek 'Keep these letters, please' verschijnt 13 febr. bij uitg. Toth, Bussum. Prijs: ƒ 85,-

“Bewaar s.v.p. de brieven!”, schreef dirigent Willem Mengelberg op 22 augustus 1909 aan het slot van een brief aan Hendrik Freijer, de administrateur van het Amsterdamse Concertgebouw. Mengelberg zat in het Zwitserse Oberalp-Passhöhe “hoog in de sneeuw, daarom schrijf ik zo onduidelijk, m'n handen zijn stijf van de kou.”

Bij zijn brief aan 'Waarde vriend Freijer' stuurde Mengelberg niet alleen 'eenige briefjes etc.' maar hij gaf hem ook negen genummerde opdrachten en suggesties voor het organiseren van de komende concerten. 1. Freijer moest proberen het concert in Den Haag van Mahler met diens Zevende symfonie acht dagen uit te stellen of anders proberen de violist Fritz Kreisler te engageren. 4. “Schelling moet ook weer eens komen, is goedkoop.” 5. Max Reger zou een goede vervanger zijn voor Mengelberg, als die in Frankfurt zou dirigeren. “Kost slechts 400 mark. ('n kóópie).” 9. “Rasse wil dirigeeren. Kan dat dit seizoen of niet?”

Freijer was een nauwgezet administrateur en bewaarde inderdaad zorgvuldig alle brieven aan Mengelberg, hemzelf en het orkest - ze liggen nu in het Amsterdamse Gemeentearchief. Toen Freijer in 1922 wegging bij het Concertgebouw, nam hij echter 197 brieven mee. De meeste waren aan hem geschreven door meer dan 100 verschillende musici. Het moet een minieme selectie zijn geweest uit achttien jaar administratief en organisatorisch werk voor het orkest. Dat duidt erop dat hij alleen een keuze meenam, als persoonlijk aandenken aan het contact met componisten en uitvoerende musici. Zij vormden de toenmalige top van de internationale muziekwereld: Debussy, Mahler, Schönberg, Strauss en vele anderen.

Over Freijer (1876-1955), die zowel het Concertgebouw als het Concertgebouworkest beheerde, is weinig bekend. Als loyaal uitvoerder van de wensen van Mengelberg bekleedde hij een prominente positie. Omdat Willem Mengelberg, die voor het oog van de wereld een dictator was, tijdens repetities volstrekt geen orde kon houden, was Freijer vaak daarbij aanwezig om misdragingen van orkestleden te noteren. Hij werd in 1922 opgevolgd door Rudolf Mengelberg, een verre achterneef van de dirigent.

Niet alleen Freijer bewaarde de brieven zorgvuldig, dat deden later ook zijn erfgenamen. Pas vorig jaar verschenen ze in de catalogus van het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper voor de veiling van 3 december. Het Koninklijk Concertgebouworkest verhinderde de openbare verkoop en kocht de brievenverzameling voor 20.000 gulden sponsorgeld.

Half december kreeg het Concertgebouworkest de brieven in handen en volgende week al verschijnt een boek. 41 brieven uit de collectie worden in facsimile en in kleur afgedrukt, samen met transscripties van de teksten en Engelse vertalingen. Het lezen van veel brieven was erg lastig, in sommige brieven valt af en toe slechts een woord te herkennen. Zo schreef Schönberg oud-Duitse gothische letters in een lopend handschrift. Prof. Marius Flothuis (83), oud-artistiek leider van het Concertgebouworkest, bleek een van de weinigen die dat nog zó kunnen lezen. Ook de Mahler- en Diepenbrockdeskundige prof. Reeser (89) was behulpzaam bij het geven van uitleg over kwesties die in de correspondentie ter sprake komen.

Afscheidsgeschenk

De snelle publicatie is niet alleen een bewijs voor het enthousiasme over het terugvinden van deze brieven en het internationale belang ervan. Het boek is ook een afscheidsgeschenk van het orkest voor de zakelijk directeur Willem Wijnbergen, die de brieven onverwijld liet kopen, en een onzalige verspreiding voorkwam. Wijnbergen leidt vanaf 1 maart de Los Angeles Philharmonic Association.

De lijst met namen van de briefschijvers is imposant en weerspiegelt bovendien hoe snel het in 1888 opgerichte Concertgebouworkest dankzij Mengelberg (chef-dirigent sinds 1895) was uitgegroeid tot een van de belangrijkste muziekcentra in de wereld, ook voor eigentijdse muziek. Er waren contacten met componisten als Busoni, Debussy, Diepenbrock, Elgar, Grieg, Mahler, Reger, Schönberg, Skrjabin en Strauss. Er zijn brieven van dirigenten als Max Fiedler, Karl Muck, Arthur Nikisch, Bruno Walter en Felix Weingartner. Er is correspondentie met instrumentalisten als Alfred Cortot, Carl Flesch, Fritz Kreisler, Marguerite Long, Arthur Schnabel en Eugène Ysaye.

Van sommige brieven was uit andere correspondentie bekend dat ze ooit moesten hebben bestaan - hun opduiken vult een aantal hiaten in de muziekhistorie. De overige brieven behelzen vaak interessante aanvullingen - hoe klein soms ook - op de biografieën van tal van musici.

Voor het overige toont de correspondentie het dagelijks leven van een orkest. Veel brieven gaan over honoraria, de keuze van repertoire, de solisten, de repetitieschema's, reismogelijkheden en hotelreserveringen. De periode 1904-1922 was voor het orkest erg roerig en dat blijkt ook vaak uit de brieven. Een heftig conflict over de eigenzinnigheid van Mengelberg en over de positie van het orkest binnen het Concertgebouw, een commerciële NV, leidde in 1904 tot het ontslag van de opstandige administrateur Willem Hutschenruyter, de voorganger van Freijer.

Een aantal musici, onder aanvoering van concertmeester André Spoor, was vertrokken en legde in Den Haag de basis voor het Residentie Orkest. In 1906 ontstond een vete met het Haagse Diligentia, dat het Amsterdamse Concertgebouworkest inruilde voor het Residentie Orkest. Mengelberg begon toen een eigen serie in Den Haag: de 'Mengelbergconcerten'. Dirigenten en solisten die voor het Haagse orkest werkten, werden in Amsterdam geboycot.

Plezier

Omgekeerd eiste het Residentie Orkest ook exclusiviteit, zo blijkt uit een totnutoe onbekende kaart van Gustav Mahler aan Willem Mengelberg, die moet zijn geschreven tussen april en juni 1907. “In Den Haag heb ik mij verplicht dit seizoen geen ander concert te dirigeren. Uw plan is dus onuitvoerbaar. Het honorarium dat u mij voor Amsterdam aanbiedt, accepteer ik gewoon (in Den Haag krijg ik overigens 1000 gulden). In Amsterdam bij u te dirigeren beschouw ik nu en in de toekomst als plezier en ik zal me steeds aan uw mogelijkheden aanpassen. Ik vraag echter zulke afspraken over honoraria vertrouwelijk te behandelen, omdat ik elders niet voor minder dan 1000 gulden dirigeer.”

Mengelberg trad vanaf 1907 op als gastdirigent in Frankfurt, waardoor moest worden gezocht naar vervangers, goede maar het liefst ook goedkope. Mengelberg: “Reger is goed en de Brahmsliefhebbers zullen tevreden zijn.” De financiële situatie was altijd moeilijk, de salarissen voor de musici waren laag. De eerste gemeentelijke subsidie kwam in 1911, de eerste rijkssubsidie in 1919.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het lastig internationale contacten te onderhouden. Richard Strauss moest plotseling zijn pas vernieuwen: “Of ik die dinsdag heb is op zijn minst twijfelachtig en dan kan ik woensdag niet op reis. Scheusslich!”

Gérard Hekking, de solo-cellist van het orkest, had de Franse nationaliteit en vocht tegen de Duitsers in de loopgraven. Hij schreef aan Freijer: “De winter was verschikkelijk en ik ben verbaasd dat ik nog leef. (-) Ik heb hier zelfs een cello en ik speel bij de generaal, die aardig voor mij is.”

De opvallendste brief is van Mahlers echtgenote Alma, met paarse inkt geschreven in reusachtige letters. Ze nodigt Henk de Marez Oijens, een leraar aan het Barlaeusgymnasium die programmatoelichtingen schreef, uit om in de zomer naar de Mahlers te komen. Ze eindigt met de verzuchting “De aarde zou een paradijs zijn als men meer geld had.”

Er is ook een telegram van de Oostenrijkse kanselier Karl Renner, verstuurd na afloop van het Mahler Feest in 1920. Hij dankt voor “de hommage die is gebracht aan de nagedachtenis van Mahler en de bewezen eer aan de Oostenrijkse muziekkunst.”

De brief van Karl Muck, van 1921 tot 1925 vaste dirigent naast Mengelberg, zet de tijd stil. Vanuit München vraagt hij Freijer om voor hem in Amsterdam een Waterman-vulpen van het type 'Ideal' te kopen in een winkel “vlakbij hotel de l'Europe en bij een straat die 'Rock' heet, of zoiets.” Hij bedoelde Akkerman in de Kalverstraat, achter het Rokin. Al werd de zaak in 1924 naar een ander pand verplaatst, Akkerman is nog altijd gevestigd in de Kalverstraat.

Afgebeelde correspondentie

GUSTAV MAHLER AAN WILLEM MENGELBERG - Mijn beste vriend, In Den Haag heb ik mij verplicht dit seizoen geen ander concert te dirigeren. Uw plan is dus onuitvoerbaar. Ik sta u echter gaarne ter beschikking als u dat in aansluiting op Den Haag wenst. Het honorarium dat u mij voor Amsterdam aanbiedt, accepteer ik gewoon (in Den Haag krijg ik overigens 1000 gulden). In Amsterdam bij u te dirigeren beschouw ik nu en in de toekomst als plezier en ik zal me steeds aan uw mogelijkheden aanpassen. Ik vraag echter zulke afspraken ... (bovenaan:) N.B. Als u op de 6de nog iets wilt (eventueel met Messchaert), zou dat uiteindelijk ook gaan.

ARNOLD SCHÖNBERG AAN HENDRIK FREIJER - 16 maart 1914. Zeer geachte heer, Ik wend mij tot u met het verzoek het Concertgebouworkest nog een keer te zeggen dat ik zijn prestatie het allerhoogst bewonder en het buitengewoon dankbaar ben, dat het mij mogelijk is gemaakt een zo uitstekende uitvoering tot stand te brengen. Ik verheug me er bijzonder op volgend jaar met u mijn Gurrelieder ten gehore te brengen. Dan vraag ik het bestuur van het Concertgebouw mijn hartelijkste dank over te brengen voor het eerbetoon met de lauwerkrans. Het is de eerste die ik bewaar!! Nog een verzoek: ik vergat mijn orkestpartijen mee te nemen. Zou u de bijzondere vriendelijkheid willen hebben die mij te laten sturen? Misschien wil de heer Dopper nog mijn verbeteringen laten kopiëren. (Mijn partijen zijn alle met mijn naam gestempeld en lagen in een map met inhoudsopgave)

AAN HET MAHLER FEEST-COMITÉ - 20 mei 1920. De regering van de Oostenrijkse republiek groet het geëerde comité ter gelegenheid van de schitterend verlopen uitvoering van het Mahler Feest in Holland en dankt hartelijk voor de hommage die is gebracht aan de nagedachtenis van Mahler en de bewezen eer aan de Oostenrijkse muziekkunst. Staatskanselier Renner

Adreszijde van kaart van Edward Elgar aan de heer Hen. Freijer Amsterdam Joh. Verhulststr. 13 E.

ALMA MAHLER AAN HENK DE MAREZ OIJENS - De aarde zou een paradijs zijn als men meer geld had.

EDWARD ELGAR AAN HENDRIK FREIJER - 16 juni 1904. Malvern, donderdag 16.04 Heel veel dank. Ik stuur met veel plezier een programma van Cockaigne. Met de beste wensen Edward Elgar. (het muziekcitaat is uit Elgars The dream of Gerontius)