Bertolt Brecht en zijn hartstocht voor de wereld; Arbeiders zijn adembenemend bijzonder

Honderd jaar geleden werd Bertolt Brecht geboren. Ondanks de holle partijretoriek of lofdichten op Lenin hoort zijn werk niet thuis op de vuilnishoop van de literatuurgeschiedenis. Brecht probeerde zijn publiek iets te leren, maar hij liet het ook iets voelen: het kloppende hart van het alledaagse bestaan.

“... und mein Werk ist der Abgesang des Jahrtausends” Bertold Brecht 1898-1998. Tentoonstelling in de Akademie der Künste, Berlijn. Tot 29 maart.

Ter gelegenheid van Brechts honderste geboortedag is bij uitgeverij Suhrkamp een verzameld werk in zes gebonden delen verschenen. Prijs ƒ 112,70, vanaf 1 april ƒ 147,20

Bij dezelfde uitgever: Brecht Chronik, van Werner Hecht, waarin het leven van Brecht van dag tot dag verslagen wordt. Prijs ƒ 112,70, vanaf 1 april ƒ 147,20

Het zekere voor het onzekere: voordat hij op 14 augustus 1956 in Oost-Berlijn bezweek aan een hartinfarct, vroeg Bertolt Brecht zijn artsen zijn hart met een scherp mes te doorsteken, zodra ze bij hem de dood hadden geconstateerd. Ook verzocht hij begraven te worden in een zinken sarcofaag, zodat de wormen op een afstand gehouden zouden worden. Wanneer hij eenmaal onder de grond lag, wilde hij zeker weten dat hij dood was - maar van zijn lichaam moesten ze afblijven.

In het laconieke pragmatisme waarmee hij zich tegen het onvermijdelijke teweerstelde, herken je gemakkelijk de overbekende Brecht. De schrijver uit de krantenartikelen en schoolboeken, wiens honderdste geboortedag de komende week gevierd wordt en nergens meer dan in het herenigde Duitsland; Brecht de onsentimentele iconoclast; een man van glasharde waarheden, de speelse cynicus die alles wat de burgerij als verheven beschouwt tegen het licht houdt en aantoont dat de ziel van de mens slechts een ander woord is voor zijn handelsgeest. Onverschrokken en onverstoorbaar is deze Brecht in zijn leven en werk eerder boerenslim dan heroïsch. Hij is ook schaamteloos. Net als de door hem bewonderde soldaat Schwejk laat hij zich nooit door het leven in verlegenheid brengen; op de meeste foto's verschijnt hij niet zozeer als de arbeider die hij niet was, zoals meestal gnuivend beweerd wordt, maar als een onooglijke, wat viezige man met een tartend ironische twinkeling in zijn ogen. Zo'n kerel die een handeltje drijft waarvoor hij zich eigenlijk zou moeten schamen en die dat niet doet. Een luis in de pels van de maatschappij, tot groot genoegen van zichzelf. Nooit zal hij zich door zijn gevoelens laten meeslepen naar de afgronden van valse romantiek en zwelgend sentiment. Uit zijn biografie komt hij naar voren als iemand voor wie het leven geen schrijnende geheimen kent, geen onoplosbare dilemma's, geen bovennatuurlijke bestiering of onpeilbare diepten. De waarheid ligt binnen handbereik, de mens moet niet groter gemaakt worden dan hij is.

Maar in dat vreemde verzoek aan zijn artsen tijdens zijn laatste dagen gaat een andere Brecht schuil, onzichtbaar gemaakt door de publieke persoonlijkheid. Er spreekt onverwacht een slepende angst voor de dood uit, de angst om zichzelf voorgoed te verliezen, angst ook voor de ondraaglijke eenzaamheid van het graf. Dat roept vragen op die je niet gewend bent om Brecht te stellen, helemaal niet nu hij lijkt bijgezet in het stoffige letterkundig museum van de wereldliteratuur. Waarom vreesde Brecht de dood? Wat lag er voor hem achter de horizon? Wie niet gelooft dat er na dit leven nog iets is, ontkomt er toch niet aan zich een voorstelling te maken van het niets.

Een glimp ervan kreeg hij al vroeg in zijn leven te zien: op zijn twaalfde, toen hij nog in zijn geboortestad Augsburg woonde en door zijn ouders Eugen genoemd werd, kreeg hij een zware hartaanval. Die voortijdige aankondiging van de onvermijdelijke dood dreef hem regelrecht in de armen van het leven. Het was nu of nooit, zoals hij zichzelf in zijn dagboek voorhield: “Ik verlang het leven volledig aan mij uitgeleverd te zien. Ik verlang dat alle dingen aan mij overhandigd worden, evenals macht over de dieren, en de rechtvaardiging van mijn verlangen zit 'm in het feit dat ik hier maar één keer ben.” Het leven moest geleefd worden, hartstochtelijk en op grootse wijze, maar het moest ook bedwongen worden.

Lamlendig

De angst voor het niets uitte zich als verlangen naar macht over de wereld. Wie geen macht heeft, is niets. Wanneer de jonge Brecht zich lamlendig voelde, hoefde hij niet lang te zoeken naar de oorzaak: “Ik loop in de rondte als een dolle hond en kan niets doen... En steeds weet ik meteen wat me verlamt: dat ik niemand in mijn macht heb.” In 1917, Brecht was toen negentien en alleen nog maar de dichter van ongepubliceerde gedichten, had zich dit verlangen gevormd tot een programma. Tegen een jeugdliefde verklaarde hij: “Ik moet beroemd worden, zodat ik de mensen tonen kan, hoe ze werkelijk zijn.” Had zijn hart het een paar jaar daarna begeven, dan zou die uitspraak als een uiting van al te jeugdige, Nietzscheaanse bravoure afgedaan kunnen worden. Nu weten we beter. De hele Brecht ligt in dat zinnetje besloten.

Maar het niets dat hem omringde, moest nog wel bezworen worden. Tijdens zijn jeugd voelde hij er voortdurend de dreigende aanwezigheid van. “Het leven duurt te kort en het gaat te langzaam voorbij” vatte hij het meesterlijk samen in zijn dagboek. In het gedicht “Den Nachgeborenen”, dat hij omstreeks 1920 schreef, stelt hij in kort en zakelijk Brechtiaans, hoe het ervoor staat:

Ich gestehe es: ich Habe keine Hoffnung. Die Blinden reden von einem Ausweg. Ich Sehe.

Wenn die Irrtümer verbraucht sind Sitzt als letzter Gesellschafter Uns das Nichts gegenüber

Om dit visioen van leegte het hoofd te bieden, koos Brecht voor een duizelingwekkende vlucht naar voren. Zijn blik bleef even scherp als in het gedicht, maar hij richtte hem niet langer naar binnen, maar naar buiten. De binnenwereld van zijn emoties verruilde hij voor de buitenwereld van maatschappelijke verhoudingen. Ik werd vervangen door de mens. Brecht werd sociaal in alle betekenissen van dat woord: sociaal in zijn voortdurende hang naar het gezelschap van anderen, vooral dat van zijn vele minaressen, sociaal in zijn betrokkenheid met de verschopten en onderdrukten, sociaal in zijn verbeten afschuw van alles wat naar individualisme zweemde. Zijn onrust en heerszucht maakten dat hij zich alleen kon ontplooien wanneer hij anderen tegenover zich vond. Het sleutelwoord daarbij was verandering. Alles moest veranderd worden, de maatschappij, de mens, hij zou alles veranderen. Rust betekende stilstand, stilstand was eenzaamheid, eenzaamheid was de dood. Het is geen toeval dat Brecht zijn eerste uitgevoerde stuk, het stormachtige kunstenaarsdrama Baal, schreef als reactie op een toneelstuk over een hooggestemde, afgezonderde dichter, dat Der Einsame heette.

Gretigheid

Niets in de wereld bleef onaangeraakt door hem. Op de tentoonstelling die op dit moment te zien is in de Berlijnse Akademie der Künste, wordt duidelijk met welk een allesverslindende gretigheid Brecht de buitenwereld naar zijn hand zette. Er is niet geprobeerd een afgerond, sluitend beeld van zijn persoonlijkheid te geven; zijn vele fascinaties en bemoeienissen krijgen een gerubriceerde plaats, bij wijze van benadering van zijn persoon. Als je de moeite neemt je een paar uur lang te buigen over de talloze vitrines vol manuscripten en documenten (men heeft de tentoonstelling laten maken door een archivaris, altijd een risico), begrijp je dat Brechts neiging om alles naar zich toe te trekken, de kracht van een levensvoorwaarde had. Het verklaart zijn voortdurende behoefte aan samenwerking met anderen, die aanvankelijk door hem gestimuleerd en uitgedaagd werden en vervolgens volledig ondergeschoffeld, en zijn onbekommerde literaire jat- en plakwerk, allemaal zaken waar hij zelf te weinig een geheim van maakte om het schandaal te rechtvaardigen die het verschijnen van de biografie van John Fuegi vorig jaar teweegbracht.

Brecht bewerkte toneelklassiekers als Edward II van Marlowe en Antigone van Sofokles, hij werkte romans van anderen om, maakte zich hun ideeën eigen. Bewonderen stond voor hem gelijk aan annexeren. Bewerken betekende bij hem altijd verbrechten. Op de tentoonstelling over hem is een veelzeggend voorbeeld te vinden: de tekst van het Communistisch manifest beschouwde hij als een literair meesterwerk. Zo goed vond hij het, dat hij besloot er een dichterlijke bewerking van te maken die gezongen kon worden (het bleef een aanzet).

Zo'n manier van werken was niet meer dan vanzelfsprekend voor Brecht. Schrijven was geen eenzame bezigheid, schrijven was je bemoeien met anderen. In de buitenwereld lag het materiaal hoog opgetast.

Ook van zijn eigen werk kon hij niet afblijven; van de meeste stukken bestaan meer versies, soms met een radicaal verschillende strekking. Het gebrek aan persoonlijkheid van Galy Gay, de hoofdpersoon in het wrange blijspel Mann ist Mann, die heel zijn identiteit moeiteloos aanpast aan de omstandigheden, zag Brecht aanvankelijk als een bevrijdende wortelloosheid; zijn bedoeling was de kunstmatigheid van de individuele persoonlijkheid aan te geven. Later, in tijden van fascisme, herschreef hij het stuk als een parabel over de genadeloze depersonalisering van de nazistische oorlogsmachine.

Tegendraadsheid was voor hem een leidend principe. Wat mythisch was werd door hem eigenhandig geontmythologiseerd, de wereldgeschiedenis met zijn grote persoonlijkheden ontdaan van iedere heroïek; en de gewone, voortploeterende mens werd daarentegen juist geromantiseerd. Toneelspelers in zijn stukken moesten laten zien dat zij toeschouwers waren in het drama dat zij uitbeeldden, van de toeschouwers werd verwacht dat zij meedachten met de auteur. Kunstenaars maakte hij tot iets alledaags, arbeiders tot iets adembenemend bijzonders. Anders dan de romantici ons voorhielden, was de individuele mens volgens hem veel minder waard dan de massa. Niet de enkeling had de wijsheid in pacht, maar het volk. Wat tot verandering aanzette, kon op Brechts bijval rekenen: in de eerste plaats natuurlijk het marxistisch-leninisme, met zijn belofte van de onafwendbare, totale wereldse omwenteling.

Vervreemding

Medecommunisten, zoals de literatuurcriticus Georg Lukács, die van hem in naam van de goede zaak een invoelend realisme verwachtten waarmee een ongeoefend publiek zich zou kunnen identificeren, kregen zonder pardon het lid op de neus: Brecht benaderde de maatschappelijke werkelijkheid door middel van exotische parabels, die vaak op een vreemde plek of in een andere tijd geplaatst waren, zoals Der gute Mensch von Sezuan en Leben des Galilei. Andersom plaatste hij historische personages vaak in het heden. Je zou het grootste gedeelte van Brechts oeuvre één groot vervreemdingseffect kunnen noemen.

Bewonderaars van het werk van Brecht na de val van het communisme zouden zijn oeuvre het liefst los zien van zijn heftig beleden en tot het bittere eind toe volgehouden geloof in het communisme. Zij kunnen Brechts woelende, oneindig productieve kunstenaarsgeest onmogelijk rijmen met de starre retoriek van de Partij en Haar Leiders, die volgens Brecht de opperste wijsheid machtig waren geworden. In Hitler kon hij vanaf het begin niets anders zien dan een lachwekkend slecht toneelspeler, die tot zijn aanvankelijke leedvermaak ook werkelijk lessen had genomen bij een schmierende acteur van de oude stempel; maar Lenin en Stalin kregen van hem het onvervreemdbare patent op de waarheid, ook al moest hij beide ogen stijf dichtknijpen om niet te zien dat het tegendeel het geval was.

Daarin stond Brecht niet alleen. Van een kunstenaar die zich zo hartstochtelijk met de wereld bemoeit, kun je misschien niet verwachten dat hij zich aan de politieke waan van de dag weet te onttrekken. De aarzelende liefhebbers van zijn werk die hem aan hun borst willen blijven drukken, zien hem nu het liefst als een man van zijn eeuw, en dan vooral als een Duitser in een verschrikkelijke eeuw Duitsland. Zoals de schrijver György Konrád, de huidige directeur van de Akademie der Künste, in het voorwoord bij de tentoonstellingscatalogus schrijft (een boek dat trouwens best voor de tentoonstelling zelf kan doorgaan): “Bertolt Brecht, die voor ons zijn weg gegaan is, heeft in onze plaats inzichten en fouten verzameld; niet hij is het die ons aankijkt, wij kijken hem aan.”

Je kunt je afvragen of het de taak van de schrijver is om die weg te gaan, zeker wanneer hij zo weinig afstand bewaart tot wie er naast hem loopt. Sartre zou gezegd hebben van wel, Proust niet. De 'unpolitische' Thomas Mann, door Brecht tijdens hun beider politieke ballingschapsjaren aan de Westkust van de Verenigde Staten consequent belachelijk gemaakt (“dieser Kurzgeschichtenschreiber”), maakte niet dezelfde fouten als Brecht. Zijn inzichten zijn er niet minder om.

Emoties

Wat zeker is, is dat het communisme de uiterste consequentie was van Brechts dwarse geest. Zijn afkeer van de menselijke binnenwereld, het gedweep met al te persoonlijke eigenschappen en emoties, de holle retoriek van het verheven gevoel als masker voor uitbuiting en winstbejag, dreven hem onherroepelijk tot het maken van de kapitale denkfout waarmee hij zijn lot onlosmakelijk met dat van de twintigste eeuw verbond: de mens wordt gemaakt door de maatschappij waarin hij leeft, dus om de mens te veranderen, hoef je alleen maar de maatschappij te veranderen, zo eenvoudig is dat. Alle kwaad in de wereld is een sociaal kwaad. Hitler genoot geen steun bij het gewone volk, zo dacht Brecht oprecht, hij was een zetbaas van het grootkapitaal.

Op deze tentoonstelling in Berlijn ligt een ander, veelzeggend voorbeeld van Brechts koelbloedige dwaasheid in de vitrines: een reactie op een pamflet van Albert Einstein en Sigmund Freud over het fenomeen oorlog. Einstein zag de oorlog als een onontkoombaar fenomeen, waarvan de wortels diep in de collectieve psyche lag: van tijd tot tijd voelt de mens de onstuitbare behoefte om zichzelf buiten de beschaving te plaatsen die hij met zoveel zorg heeft opgebouwd en die eigenhandig te vernietigen. Brecht begreep daar niets van. Einstein, schrijft hij, had zich helemaal geen rekenschap gegeven van de ware oorzaak: de klassenstrijd. De heersende klasse was immers door-en-door materialistisch en voerde oorlogen om haar bezit te vergroten of te verdedigen. Het volk hield helemaal niet van oorlog, het deed alleen maar mee uit lijfsbehoud, om een graantje mee pikken en boven de armoedegrens uit te komen - zie Moeder Courage.

De tegenstanders van Brecht hebben de geschiedenis aan hun zijde gekregen. Zij kunnen honend zwaaien met het verzamelde werk, waarin voldoende pijnlijke nonsens wordt verkondigd en verheerlijkt: holle partijretoriek, lofdichten op Lenin, monolitische waarheden, afgewisseld met weemakende sentimenten (bij de dood van Maxim Gorki prees Brecht hem als een man die het volk onderwees en tegelijk leerde van het volk). De revolutionaire hervormingen van het theater zijn opgenomen in de bloedstroom van de toneelgeschiedenis: het werk is een leeg cocon, een mottig monument. Bovendien, zeggen zij, bleek de mens Brecht onverbeterlijk tot aan zijn dood als gevierd staatsschrijver van de DDR. En toch lukt het hun maar niet zijn werk op de vuilnisbelt van de beschaving te gooien - daar blijkt het telkens weer te weerbarstig voor.

Hoe komt dat? De vergelijking ligt niet voor de hand, maar Brecht heeft veel gemeen met een schrijver en tijdgenoot die zich politiek gezien ver aan zijn rechterkant bevond, maar die hij desondanks bewonderde: Rudyard Kipling. Ook Kipling ontvluchtte al vroeg in zijn schrijversloopbaan zijn binnenwereld, een naargeestig oord waar zijn gekwetste kinderziel kermend achterbleef. Beide schrijvers delen een afkeer van het hoogdravende, geïsoleerde kunstenaarsschap, zijn gefascineerd door de tastbare wereld van de techniek en schurken zich tegen de gewone man. Hun werk heeft brute, onmenselijke trekjes, die onmogelijk samen lijken te gaan met een groot kunstenaarsschap.

Tegelijkertijd lukt het hun niet om de eigenschappen die ze zo manmoedig proberen te onderdrukken - kwetsbaarheid, twijfel, mededogen, empathie - onder de duim te houden. Terwijl zowel Kipling als Brecht zich gewapend in de buitenwereld begeeft, wordt hun werk van binnenuit ondermijnd. Van Brecht mocht zijn Moeder Courage geen personage zijn - ze was een instructief voorbeeld van hoe de oorlog het volk deformeert. Toen het publiek haar toch als een mens aan de borst drukte, had hij er liefst nog een handvol vervreemdingseffecten tegenaan gegooid om dat ongedaan te maken. Het zou tevergeefs geweest zijn. Terwijl Brecht zijn publiek iets probeerde te leren, liet hij het ook iets voelen: het kloppende hart van het alledaagse bestaan. Het communisme bleek een dorre, levensvernietigende heilsleer, maar het werk van Brecht is niet steriel, hoe emblematisch het ook wil zijn. Integendeel, ik ken geen literair oeuvre waarin gewone dingen en handelingen zo zinnelijk aanwezig zijn: brood, geld, een huis, slapen, zuipen, vozen. Brecht bewonderde de boerenpanorama's van Pieter Breughel de Oudere en zijn eigen gangsters, hoeren, corrupte politici, soldaten en dronken grootgrondbezitters, uitbuiters en uitgebuitenen bezitten eenzelfde lyrische vitaliteit, waardoor ze onherroepelijk aan hun schepper ontsnappen.

Aan het einde van zijn leven hadden al Brechts wensen vervuld moeten zijn. Zijn buitenwereld leek volmaakt: hij woonde in de staat van zijn politieke dromen, had zijn eigen theater, waarin hij zijn eigen stukken mocht regisseren voor zijn eigen publiek. Voor tegendraadsheid was hij eenvoudig te moe.

Tijdens de Arbeidersopstand van 1953, drie jaar voor zijn hart het voorgoed begaf, betuigde hij aarzelend zijn steun aan het regime. Aangedaan trok hij zich steeds vaker terug in een toevluchtsoord, dat hem altijd angstaanjagend had toegeschenen: zichzelf. Meteen drong het grote Niets zich weer aan hem op, maar het was nu minder bedreigend, minder overweldigend dan in zijn jonge jaren. Tijdens een verblijf in het ziekenhuis vlak voor zijn dood, hoorde hij buiten merels zingen, en dacht hij zich bevrijd van zijn angst voor de dood. Wanneer hij er zelf niet meer was, kon hij ook niets meer missen, hield hij zichzelf voor in een gedicht. Die gedachte bleek een bevrijding: Jetzt/ Gelang es mir, mich zu freuen/ Alles Amselgesang nach mir auch. De wereld hoefde niet langer bedwongen te worden.