Topvorm als mysterie; Pieken

Schaatsers sparen hun krachten om te kunnen 'pieken' bij de Spelen. Hoe werken de spieren van schaatsers? RIJDEN MET de rem erop leek dit seizoen favoriet bij de Nederlandse schaatsers. Naarmate de Winterspelen naderden, trokken ze de rem steeds harder aan - om te kunnen pieken.

Alleen toen de tickets voor Nagano werden verdeeld, tijdens het Nederlands kampioenschap afstanden, haalden ze alles uit de kast. Rintje Ritsma behaalde op 11 januari het Europees kampioenschap na een tien kilometer waarin hij niet diep ging. Het hoefde niet. Ids Postma ging helemaal niet naar het Europees kampioenschap. Hij reed niet hard genoeg om een plaats in de ploeg te krijgen, maar zijn trainer Henk Gemser drong ook niet op selectie aan. Hij vond het beter dat Postma zijn krachten spaarde. Heeft dat zin, zo lang van tevoren?

Is Falko Zandstra het beruchtste voorbeeld van een schaatser wiens spieren zich na één zware uitputting nooit meer herstelden? Van Zandstra wordt verteld dat hij na zijn inspanning bij een legendarische tien kilometer tegen Koss in 1992, waarop hij Europees kampioenschap werd, nooit meer de oude is geworden.

Gianni Romme tartte het noodlot. Hij reed op 18 januari dit jaar in Innsbruck nog een wereldrecord op de tien kilometer op buitenbanen. Was dat niet veel te kort voor het begin van de Spelen, vroegen de omstanders zich af? Romme was net flink ziek geweest en wilde wel even zien waar hij stond.

Yvonne van Gennip won tien jaar geleden drie gouden medailles in Calgary. Ook zij was daarvoor ziek geweest. Hebben Romme en Van Gennip daarmee aangetoond dat je het beste piekt als je ongewoon lang niets hebt gedaan?

Alleen de sprinters Bos en Wennemars trekken zich nergens iets van aan en vieren triomf na triomf. Bos werd nog op 25 januari wereldkampioen op de sprint. Zijn trainingsmaat werd derde. Sparen hun tegenstanders zich allemaal?

Moet een topsporter zich werkelijk het hele jaar inhouden om kans te maken op olympisch goud? Bestaat pieken?

“Pieken bestaat absoluut”, zo weet inspanningsfysioloog dr. A.P. Hollander uit eigen onderzoek en de wetenschappelijke literatuur. Maar Hollander, verbonden aan de faculteit bewegingswetenschappen van de VU in Amsterdam, betwijfelt of je je het hele jaar moet inhouden om één keer te kunnen pieken. “Ik weet zelfs niet of het gepraat over die rem geen kletskoek is van tv-verslaggevers. Je hoort zoveel onzin tijdens sportwedstrijden. Ik weet dat Ritsma het kan, op de halve seconde nauwkeurig zijn rondjes rijden. Maar ik weet niet of sporters zich in zulke wedstrijden echt inhouden.”

Pieken is de culminatie van jarenlange training, van de opbouw van voorbije maanden, van de wil te winnen, van goed eten en een zorgvuldig doseren van de inspanning in de dagen of weken voor een belangrijke wedstrijd. De werking van het pieken laat zich illustreren aan de hand van de glycogeenvoorraad in de spieren. Glycogeen is de uit geconsumeerde suikers gevormde energievoorraad. Het uithoudingsvermogen is rechtstreeks gerelateerd aan de hoeveelheid glycogeen in de spieren.

Hollander: “Stel het glycogeengehalte op een bepaald moment op 100 procent. Als een schaatser traint of een wedstrijd rijdt, raakt de voorraad uitgeput. Na de inspanning, tijdens rust en door te eten, slaan de spieren weer glycogeen op. Bijzonder is dat de glycogeenopslag doorschiet in een spier die flink heeft moeten werken. Er ontstaat een duidelijke, maar tijdelijke piek. Als je op het toppunt van die piek opnieuw aan een wedstrijd meedoet, presteer je beter dan de keer daarvoor. De extra glycogeenopslag is zelfs aantoonbaar door een fietser op een aangepaste hometrainer alleen met het rechterbeen veel arbeid te laten leveren. Uit spierbiopsieën blijkt dat de spieren van het rechterbeen daarna meer glycogeen opslaan dan die in het linkerbeen.”

Dat is het principe van pieken. Er zijn meer lichaamsvariabelen die na uitputting reageren met een piek. Het opbouwen van de piek duurt bij glycogeen een dag of drie, als je uitputtend hebt getraind. Een wedstrijdschaatser wacht daarop normaal gesproken niet. Geen enkele topsporter doet dat. Hollander: “Die gaat iedere dag trainen. Het betekent dat hij zelden in een goede uitgangspositie komt voor een topprestatie. De volgende training begint als het opladen van glycogeen net weer is begonnen. Als je veel traint, word je steeds vermoeider. Je herstelt niet meer. Je zou eigenlijk steeds in de piek moeten trainen.”

Maar trainen beoogt meer dan het optimaliseren van glycogeenopslag. Schaatsers beginnen in de zomer met de training voor het nieuwe seizoen. Hollander: “Het eerste wat ze doen, is basisconditie opbouwen, alleen al om de training te kunnen volhouden als de ijsbanen weer open zijn.”

Behalve uithoudingsvermogen moeten zij kracht ontwikkelen. Hollander: “Ze moeten sterke billen hebben om hun bovenlichaam zo lang vlak te kunnen houden.”

Is er ijs (wat er, beroerd genoeg voor schaatsers, niet het hele jaar door is), dan trainen topschaatsers een uur of zes per dag en komen techniek en snelheid aan de beurt. Tijdens de maandenlange training om uithoudingsvermogen, kracht, techniek en snelheid te krijgen, nadert iedere schaatser langzaam maar zeker zijn topconditie. Daarbij nemen het spiervolume, de energie-opslag en het vermogen tot zuurstofopname toe. Maar wie 'diep gaat', pleegt ook roofbouw op zijn lichaam. De glycogeenvoorraad gaat er keer op keer aan. Hollander: “En als je fors aan je spieren trekt, beschadigen er ook spiercellen. Als je een spier uitrekt tijdens het samentrekken, kun je hem fors slopen. Er ontstaat dan microscopisch kleine schade aan en in de spiercellen. Die schade zal bij schaatsers nog wel meevallen, maar als je een tien kilometer rijdt, verbrand je een deel van je glycogeenvoorraad anaëroob (met te weinig zuurstof). Daarbij ontstaat melkzuur in de spieren. De zuurgraad dendert omlaag en dat is slecht voor het weefsel. Verzuring veroorzaakt veranderingen die niet zomaar overgaan.”

Spierpijn is het gevolg. Niet door opgehoopt melkzuur, want wedstrijdrijders stappen na een tien kilometer niet zomaar van het ijs. Ze rijden uit en na een half uurtje rustig schaatsen is het melkzuur verdwenen. Hollander: “De bekendste spierpijn voel je pas na 24 tot 48 uur. Dat is de pijn van structurele beschadigingen, veroorzaakt door vochtophopingen in beschadigd weefsel. Het herstel duurt enkele dagen en het gaat sneller met het hormoon testosteron, dat ons lichaam trouwens extra aanmaakt na inspanning.”

Topsporters kunnen een paar keer per jaar pieken. Hollander: “Hoe een individuele sporter daar naartoe moet werken, daarover kan ik als wetenschapper geen uitspraken doen. De kenmerken van een lichaam in topvorm kennen wij eigenlijk niet. 's Zomers als de opbouw net begint, kan er nog wel eens in de spieren van schaatsers gekeken worden. Dan laat iemand een biopsie toe om te kijken wat er tijdens de training gebeurt. Maar vlak voor een wedstrijd willen die mensen begrijpelijkerwijs geen polonaise aan hun lijf. Veel inspanningsfysiologisch onderzoek is gedaan met studenten als proefpersonen. Maar een student en een topsporter, daartussen bestaat verschil. Het vervelende is dat we een stukje spierweefsel moeten wegnemen. In ruil daarvoor hebben we de topsporter nog niet veel te bieden. Trainers en coaches weten uit ervaring hoe ze moeten plannen. Heel vaak gaat dat goed.”

Hollander spreekt in dat verband van 'het praktische en het theoretische weten'. Een trainende schaatser heeft momenteel meer aan praktijkkennis. Hollander: “Toch heeft de bewegingswetenschap wel wat te bieden. De klapschaats komt hier vandaan. De wetenschappelijke voedingsadviezen kloppen en worden overal toegepast. Maar op sommige gebieden moeten we bescheiden zijn. Wij geven geen adviezen over de juiste trainingsopbouw voor het pieken. Op grond van wat we weten over herstel van weefsel na inspanning en over de wederopbouw van glycogeenvoorraden hoef je geen tien dagen te wachten totdat je weer opnieuw diep kunt gaan. Wat Romme deed, lijkt me dus geen sportieve zelfmoord. Maar het kan per individuele topsporter makkelijk verschillen. De trainers houden daar rekening mee. Misschien was het wel heel goed dat Postma niet naar het EK ging en was het voor Ritsma geen probleem. In ieder geval is het tegenwoordig wel gebruikelijk dat een week voor een belangrijke wedstrijd geen uitputtende trainingen meer worden afgewerkt. De schaatsers staan toch nog wel twee tot drie uur op het ijs, alleen trainen ze voor hun doen niet meer zo loeiend hard.”

Maar Hollander verbaast zich soms: “Ik denk wel eens dat de Nederlandse vrouwenschaatsers de piek niet bereiken. In elk geval dit jaar niet. Vorig jaar reden ze als eerste op klapschaatsen. Maar er was meer. Tonny de Jong kon aan het eind van een rit nog versnellen. Dat heb ik haar dit jaar nog niet zien doen. Het zou mij niet verbazen als de vrouwen steeds onder de piek zitten doordat ze te lang doortrainen.”

En Zandstra, heeft die zijn spieren kapot geschaatst? “Ik heb de spieren van die jongen nooit gezien, maar het lijkt me erg onwaarschijnlijk. Als er één weefsel is dat flexibel is, zich aan de omstandigheden aanpast en makkelijk regenereert, dan is het spierweefsel.”