SPELREGELS

Schaatsen, shorttrack, kunstrijden en ijshockey zijn sporten die in Nederland volop worden beoefend. Maar de Olympische Winterspelen bevatten ook diverse takken van sport die hier veel minder gangbaar zijn. Een overzicht, met de belangrijkste spelregels.

Curling Wordt op het ijs gespeeld tussen twee teams van vier. Elke speler beschikt over twee granieten stenen van twintig kilo en een bezem. Het doel is zoveel mogelijk stenen in gekleurde cirkels te glijden, die met 'huis' of tee worden aangeduid. Door te vegen met een bezem en zo het ijs te verwarmen, kunnen spelers proberen de glijbaan van een steen te veranderen. De cirkels hebben een doorsnede van 1,83 m. De bedoeling is de stenen zo dicht mogelijk in het midden van het 'huis' te gooien. Het team dat daarin het beste slaagt, wint. Onder bepaalde voorwaarden mogen de spelers de stenen van de tegenstanders wegspelen. Een wedstrijd gaat over tien ends (zestien stenen) en duurt zo'n tweeëneenhalf uur. Een effectvolle worp heet curl (draaiing) en daaraan ontleent de sport zijn naam. Curling, dat vermoedelijk van Schotse oorsprong is en uit de zestiende eeuw stamt, staat voor het eerst op het officiële Olympische programma, na bij vier winterspelen als demonstratiesport te zijn uitgevoerd.

Rodelen (Engels: Luge). Zeg maar: sleetje rijden. Staat sinds 1964 op het programma. Wordt solo gedaan (mannen en vrouwen) en met gemengde dubbels. De start is cruciaal: de rodelaars duwen zich zo hard mogelijk af. Op de slee is het zaak zoveel mogelijk achterover te liggen, om zo weinig mogelijk luchtweerstand te ontmoeten. De snelheid kan tot zo'n 120 kilometer oplopen. Bij de dubbels ligt de zwaarste racer voor. De slee mag maximaal 23 kilo voor solisten wegen en 27 kilo voor dubbels. Kleding, schoeisel, helmen, enz. mogen bij mannen 13 kilo wegen en bij vrouwen 10 kilo. In Nagano is de baan 1.200 à 1.300 meter lang. De solisten moeten vier races afleggen en de dubbels twee. De tijden worden bij elkaar opgeteld.

Bobsleeën Is alleen voor mannen en bestaat uit races voor tweemansbobs en viermansbobs. Staat al vanaf het begin in 1924 op het programma van de Winterspelen. De aerodynamische, overdekte sleeën, die van een stuur en een rem zijn voorzien, gebruiken een baan die over een lengte van 1.300 meter daalt. De start is veelal beslissend. Wie de bob goed op koers brengt en daarna, na zo'n 50 tot 60 meter, zo soepel mogelijk aan boord springt, verwerft een goede uitgangspositie op de bochtige ijsbaan. De stuurman, de enige die zicht heeft op de baan, moet zo manoeuvreren dat hij de muren langs de baan mijdt en een zo'n hoog mogelijke snelheid handhaaft. De andere bobbers moeten hun hoofd zo diep mogelijk omlaag houden. Inclusief de bemanning mag een tweemansbob maximaal 390 kilo wegen en een viermansbob 630 kilo. De temperatuur van de ijzers onder de bob wordt vooraf gemeten. Omdat warme ijzers sneller gaan, mag de temperatuur niet meer dan vier graden Celsius van de standaard afwijken. De bobs racen vier heats waarvan de totaaltijden worden opgeteld.

Biathlon Een combinatie van Langlaufen op de ski's en schieten met een geweer, zowel voor mannen als vrouwen. Werd vroeger door soldaten in Noord-Europa gedaan. Biathlon is een van oorsprong Grieks woord en betekent 'twee wedstrijden'. De biathleten gaan langlaufend over een parcours en moeten onderweg afwisselend staand en liggend schieten. Wie het parcours het snelst aflegt, is de winnaar, maar elk gemist schot kost op de lange afstanden een strafminuut en leidt op de korte afstanden en de estafettes tot een verplicht extra rondje Langlaufen van 150 meter.

Noordse combinatie Alleen voor mannen, individueel en in teams, die 's ochtends moeten schansspringen en 's middags Langlaufen (vrije stijl). Het aantal punten dat bij het springen wordt behaald wordt omgerekend in een langlauftijd. De beste springer mag het eerst van start bij het langlaufen, daarna volgen, met inachtneming van de tijdsverschillen die bij het schansspringen zijn opgebouwd, de anderen. Wie het eerst over de finish komt, heeft gewonnen.

Schansspringen De skiërs springen van een grote schans: K 120, of een normale schans: K 90. De K staat voor het zogenoemde kritieke punt. Voor elke meter die een springer verder komt dan het K-punt krijgt hij twee extra punten. Voor elke meter die hij voor het K-punt eindigt krijgt hij twee punten (grote schans) of 1,8 punt (gewone schans) in mindering op zijn score. Vijf juryleden geven ieder punten voor de stijl bij het springen (maximaal 20). De hoogste en laagste score vervallen; de overige drie worden opgeteld en vormen met de afstandspunten de totaalstand. Elke skiër moet twee keer springen.

Alpine skiën Overkoepelende naam voor verschillende afzonderlijke takken van de skisport: afdaling, slalom, Super-G en combinatie. De Super-G (G staat voor giant) is een afdaling/slalom waarbij de skiër een relatief hoog aantal poortjes moet passeren. Het aantal poortjes bedraagt tien procent van het af te leggen hoogteverschil, met een minimum van 35 poortjes voor mannen en 30 voor vrouwen. De combinatie bestaat uit een afdaling en een slalom.

Langlaufen (Engels: Cross-Country Skiing, in het Nederlands ook met skilopen aangeduid.) Op de ski's worden lange afstanden afgelegd, met behulp van skistokken. Deze tak kent twee technieken: de klassieke en de vrije stijl. Bij de klassieke techniek zet de skiër zich voorwaarts af. Op het vlakke terrein moeten de ski's parallel naast elkaar blijven en in stijle stukken worden ze diagonaal ten opzichte van elkaar geplaatst, de visgraatpas. Bij de vrije stijl, waarbij iedere deelnemer zijn eigen techniek mag kiezen, wordt meestal een soort schaatsslag gebruikt, met een zijwaartse afzet.

Snowboard Het is als surfen op het water, maar dan met een plank over de sneeuw. Zo is deze sport ook ontstaan: Amerikaanse surfers wilden hun vaardigheden op het besneeuwde landschap testen. Snowboarden, dat voor het eerst op het Olympische programma staat, is in twee disciplines te verdelen: alpine en freestyle. De alpine-snowboarder maakt een reuzenslalom tussen poortjes door, waarbij de snelheid tot 80 kilometer kan oplopen. Wie het juiste parcours volgt en dat het snelst doet, is de winnaar. De freestyler moet over andere talenten beschikken. Hij moet in een halfpipe, een halve pijp van sneeuw, sprongen uitvoeren als de backflip (een sprong achterover) en de nose grab air (waarbij de snowboarder in de lucht de voorkant van zijn plank met beide handen vastgrijpt). Vijf juryleden beoordelen onderdelen als de technische uitvoering, de hoogte van de sprongen, de draaiingen en de landing. Freestyle kent op de Olympische Spelen twee onderdelen: moguls (skiën op een steile, hobbelige piste) en aerials (springen). Het onderdeel moguls wordt ook wel buckelpisteskiën genoemd. Buckels zijn sneeuwhobbels die op een piste zijn aangebracht. Die piste moet zo snel mogelijk worden afgelegd, waarbij de skiër onderweg twee of drie sprongen recht vooruit moet maken. Een jury beoordeelt de snelheid, de stijl en de uitvoering van de sprongen. Bij aerials springen de skiërs van schansen die kickers worden genoemd en verschillende formaten hebben. In de lucht maken de ze salto's in combinatie met halve of hele 'schroeven'. Een jury beoordeelt de sprongen.