Op zoek naar de middenklasse

Minister van Financiën Zalm zei vorige week in Rotterdam dat er in mei aanstaande genoeg te kiezen valt, omdat de verkiezingsprogramma's van de vier grote partijen behoorlijk verschillen. Zo heeft zijn partij, de VVD, voor lastenverlichting een paar miljard gulden méér beschikbaar dan D66 en de PvdA, aangezien de liberalen - althans op papier - bereid zijn het meest op bestaande uitgaven van de overheid te bezuinigen.

In het oog springt het VVD-voorstel de afdracht aan de Europese Unie met twee miljard gulden te kortwieken. Op dit moment rekent het Centraal Planbureau na of politici de kiezers geen knollen voor citroenen verkopen. Naar is uitgelekt, verwijzen de rekenmeesters de bezuiniging op de jaarlijkse afdracht aan Brussel naar de prullenbak, omdat ons land niet op eigen houtje kan beslissen hoeveel het aan de financiering van de Europese Unie wenst bij te dragen.

De positie van de VVD is niet uitzonderlijk. De financiële verantwoording van alle programma's rammelt. Partijen stellen de zaken te mooi voor. Welke coalitie straks ook gaat regeren, nu al staat vast dat de meeste in het komende regeerakkoord vastgelegde bezuinigingsmaatregelen nooit vooraf aan het electoraat zijn voorgelegd en dus geen rol konden spelen bij de verkiezingsuitslag. De door partijen bewust nagestreefde vaagheid draagt bij aan de vervlakking van programmatische verschillen.

Zalm heeft daarom ongelijk. Wanneer puntje bij paaltje komt, lijken de programma's van de grote partijen sterk op elkaar. Dat wekt geen verbazing, nu alle partijen hun ideologische veren hebben geschud. De PvdA heeft de zegeningen van de markt ontdekt, de VVD hecht inmiddels aan een fatsoenlijk sociaal minimum. Sommigen tonen zich over deze ontwikkeling teleurgesteld. Zij missen het principiële debat en de ideologische strijd. Dat is echter een kortzichtige zienswijze. Gelukkig is het land waar tussen verkiezingsprogramma's van de grote politieke partijen nauwelijks licht kiert. De eenvormigheid van de beloften aan de kiezers wijst op brede maatschappelijke consensus over het te voeren beleid.

Lopen de opvattingen over de manier waarop de Nederlandse samenleving het beste kan worden georganiseerd niet fundamenteel uiteen, dan wordt het stemgedrag van de burgers al snel bepaald door smaakverschillen en vluchtige indrukken. Naar het zich laat aanzien is het aantal zwevende kiezers in de aanloop naar de komende Kamerverkiezingen groter dan ooit. Eén misplaatste opmerking in de loop van een vraaggesprek of een minder succesvol tv-optreden kan veel stemmen kosten. De kans op uitglijders neemt toe, nu valt te voorspellen dat de media bij de komende strijd om de regeringsmacht onevenredig veel aandacht zullen schenken aan persoonlijke lotgevallen van de hoofdrolspelers, in plaats van de weinig spectaculaire verschillen in de partijprogramma's tot op het bot te analyseren. Dit komt leidende politici vermoedelijk niet slecht uit. Met name voorstanders van voortzetting van de paarse coalitie hebben geen belang bij tijdens de verkiezingscampagne hoog opgespeelde conflicten. Dat legt alleen maar een hypotheek op de komende kabinetsformatie.

In dit klimaat proberen de grote partijen zich te profileren met zelfbedachte issues. Daarbij is het de kunst hinderlijke feiten te verzwijgen. Tijdens het congres waarop de VVD haar verkiezingsprogramma definitief vaststelde, gaf lijsttrekker Bolkestein een voorproefje van wat nog komen kan. Hij keerde zich tegen inkomensnivellering en onderstreepte dat twintig procent van de belastingbetalers (met de hoogste inkomens) meer dan de helft van de inkomstenbelasting opbrengt. “Wie beweert dat iedereen boven modaal slapende rijk wordt, weet niet wat hard werken is. Dankzij de middengroepen kunnen de uitkeringen worden betaald.” Deze veel geciteerde oneliners kregen van het VVD-congres een warm onthaal. Een ruime meerderheid van de bevolking rekent zich immers tot de middengroep, hoe ook precies afgepaald. En moeten we niet allemaal hard werken, terwijl de fiscus gretig toehapt wanneer salaris en winst worden uitgekeerd? Van zulke teksten lust het electoraat wel pap.

Nu wat feiten. Het citaat maakt duidelijk dat Bolkestein modale werknemers (brutojaarloon ongeveer 55.000 gulden) niet tot de middengroepen rekent. Die mensen zitten in het ziekenfonds en daar moet de VVD toch al niets van hebben. De lijsttrekker doelde op de dertig procent van de economisch actieven die zoveel verdienen dat zij zich particulier tegen ziektekosten kunnen verzekeren. Eenderde van deze groep, de tien procent met de hoogste inkomens, valt bezwaarlijk nog als middengroep aan te merken. De resterende twintig procent toucheerde in het begin van de jaren negentig achtentwintig procent van het nationale inkomen en bracht negenentwintig procent van alle belastingen op. De middengroepen droegen dus slechts naar rato van hun inkomensaandeel bij aan de financiering van de collectieve uitgaven (cijfers te vinden in Tax Notes International, jaargang 1994, blz. 919). Dit feit illustreert dat de gemiddelde druk van belastingen en sociale premies voor bijna iedereen in Nederland even hoog is. Alleen mensen met heel lage inkomens betalen minder dan gemiddeld, de toptien procent van de inkomenstrekkers draagt wat meer dan gemiddeld bij.

Bolkestein concentreert zich op de inkomstenbelasting, een van de weinige heffingen met een progressief tarief. Tal van andere belastingen en de sociale premies drukken daarentegen het zwaarste op mensen met lage inkomens en de gewone man in het ziekenfonds. Juist de uitkeringen worden voor het overgrote deel gefinancierd uit degressieve premies, en niet via de inkomstenbelasting. Uitkeringsontvangers betalen het volle pond, want werklozen en arbeidsongeschikten zijn net als werkenden alle sociale premies verschuldigd. Het is dus een ronduit misleidende suggestie dat de middengroepen de uitkeringen financieren. Te hopen valt dat het debat zich de komende tijd niet richt op de precieze afbakening van de middengroepen. De geringe progressie bij de verdeling van de belastingdruk zou daarentegen in de verkiezingscampagne centraal moeten staan.