Literatuuronderwijs heeft basis nodig

Drs. J. Radstake is docent Nederlands. Op 7 januari sprak ik op deze pagina mijn verontrusting uit over de op handen zijnde veranderingen in het literatuuronderwijs. Zowel Frank van Dixhoorn (15 januari) als Wam de Moor (30 januari) hebben daarop pogingen gedaan mijn verontrusting weg te nemen.

Zij slagen daar echter niet in. Van Dixhoorn, die verwacht dat Homerus en Ovidius op de Havo gelezen zullen worden, suggereert dat het behandelen van de literatuurgeschiedenis “het geven van literatuur” uitsluit. Dat is een uiterst kwalijke scheiding. Maar hij heeft dan ook een heel negatief beeld van docenten Nederlands. Van Dixhoorn bestaat het om te zeggen dat veel leraren Nederlands die zich over de Tweede Fase beklagen, heel goed beseffen wat er aan de hand is: “Voor hen ligt een periode van hard werken in het verschiet: ze moeten opnieuw nadenken over hun lessen en over hun leerlingen.” Als je hem moet geloven, is dat iets vreselijks. Vooral ook omdat het docentschap Nederlands tot nu toe een uiterst riant baantje was, waarbij je je, zonder nadenken, kon verschuilen achter routineuze handelingen en waarbij je het zeer rustig aan kon doen.

Waarom moet je je, wanneer je je kritisch uitlaat over onderwijsvernieuwingen, toch altijd weer verdedigen tegen de stigmatisering van 'zeuren' of 'ouderwets zijn'? Voor sommige mensen is het eenvoudigweg onvoorstelbaar dat je je ook tegen vernieuwingen kunt verzetten uit zorg over je vak. Het maakt niet uit dat een zap-cultuur het literatuuronderwijs binnengehaald wordt. Oppervlakkigheid en vrijblijvendheid die inherent kunnen zijn aan het werken met leesdossiers, het moet allemaal maar kunnen. Blijf juichen over vernieuwingen, ook wanneer het gehele literatuuronderwijs ten onder dreigt te gaan!

Kritisch, maar meer overwogen, was de reactie van Wam de Moor. Dat De Moor, die aan de wieg heeft gestaan van de vernieuwingen in het literatuuronderwijs, niet enthousiast zou reageren op mijn kritiek, vermoedde ik al. Uiteindelijk gaat het ook in zijn stuk over 'dwang' versus 'leuk'; 'het verplichtende' tegenover 'het lekkere'. De Moor zegt dat alle onderwijs, ook het literatuuronderwijs, initiërend is. Dat vind ik ook, alleen getuigt het - om in de beeldspraak van De Moor te blijven - volgens mij van beschaving om niet met de handen te eten, maar van een bord. Dat bord is een vertrekpunt, zoals de literatuurgeschiedenis dat kan zijn voor een te lezen boek. Dat je daar ook nog eetgereedschappen (om met Van Deyssel te spreken) bij kunt gebruiken - het literaire apparaat - kan de smaak alleen maar doen toenemen.