Last Summer in the Hamptons

Last Summer in the Hamptons (Henry Jaglom, 1995, VS). Ned.3, 0.30-2.20u.

Òf je valt voor zijn films òf je ergert je groen en geel aan het eindeloze geneuzel over eigentijdse neuroses. Iets daartussenin lijkt uitgesloten. Voor mij is Henry Jaglom nog steeds een van de innemendste vertegenwoordigers van de zogeheten onafhankelijke Amerikaanse cinema. Sinds begin jaren zeventig heeft hij, inmiddels achter in de vijftig, veertien speelfilms regisseerd waarvan er slechts drie de Nederlandse bioscopen bereikten: Sitting Ducks (1980), Can She Bake a Cherrie Pie? (1983) en New Year's Day... Time To Move On (1989).

Op de televisie, met name bij de VPRO, is zijn werk vaker te zien. Stuk voor stuk dragen de films Jagloms hoogstpersoonlijke signatuur. Het zijn veelal ensemble-komedies waarin de personages welbespraakt lucht geven aan hun psychische nood, steevast sterven van de honger en hunkeren naar erkenning en liefde. Daarnaast ogen al zijn films in hoge mate geïmproviseerd en zijn ze gedraaid alsof het een documentaire betrof.

Ging het in Eating (1991) om de betekenis van eten en in Babyfever (1994) om de biologische noodklok van carrièrevrouwen, in zijn voorlaatste film, Last Summer in the Hamptons, laat Jaglom zijn licht schijnen over de beoefenaars der theatrale kunsten. Plaats van handeling is een landhuis waar drie generaties van een narcistische theaterdynastie de zomer creatief plegen door te brengen onder de matriarchale aanvoering van grootmoeder (een min of meer zichzelf spelende Viveca Lindfors). Een naar meer artistieke bevrediging hunkerende Hollywoodactrice (Victoria Foyt, in werkelijkheid mevrouw Jaglom en de co-scenariste van zijn laatste drie films) is er een paar dagen te gast. Haar hilarische gewoonte om zich te vereenzelvigen met een babyzeehondje of een panter valt geenszins uit de toon in dit buitengemeen kunstzinnige milieu van acteurs, schrijvers en regisseurs.

Jaglom (die zelf een gastrol vervult als tweederangs Hollywoodregisseur) deelt hier en daar mild ironische plaagstootjes uit naar ieders worsteling met de gevoelshuishouding en het artistieke métier en niet in de laatste plaats naar de door wederzijdse afgunst getekende verhouding tussen 'plat' Hollywoodamusement en 'hoogstaand' avant-garde-theater. Venijnig wordt hij nooit. Daarvoor heeft Jaglom te veel mededogen met al die tobberige ego's.