Interland

In mijn jeugd woonde ik in de buurt van het Olympisch Stadion. Niet echt vlakbij, het was nog altijd een kleine twintig minuten lopen. Onze straat bestond uit een breed trottoir en een vrije middenweg, dat was werkelijk een grandioos speelveld. In de jaren vijftig stond er zelden een auto geparkeerd, de bomen en de leegte overheersten.

Op de dagen dat er in het stadion een interland werd gespeeld, veranderde het straatbeeld drastisch. Tot in de wijde omtrek parkeerden bezoekers van de wedstrijd hun auto, ook bij ons in de straat. Een interland bezorgde ons, kinderen, rekwisieten in het doorgaans kale decor. De rijen auto's langs het trottoir boden op zo'n dag een fantastische dekking voor verstoppertje spelen. Wij renden gebukt, gluurden door de autoruiten, en verrasten de aftikker met een snelle, laatste run. Vanuit de verte werden we luid aangemoedigd door de menigte in het stadion. Met vlagen golfde het gejuich door de zondag-stille straat. Onvermoeibaar speelden wij voort tot de grote uittocht begon, de straat opnieuw leeg achterlatend.