Herzien

Gebouwen zijn in het nieuws als ze worden voltooid. Maar hoe staan ze er jaren later bij?

Deel 1: de Stopera

De Stopera in Amsterdam moet wel het gebouw met de turbulentste wordingsgeschiedenis in Nederland zijn. Over geen gebouw is zo verhit gedebatteerd als over deze curieuze combinatie van Stadhuis en Opera. Of eigenlijk is debat niet het juiste woord, in het begin leek het alsof het gebouw alleen maar tegenstanders had. Vooral de Amsterdamse culturele elite liep te hoop tegen het ontwerp. Zo liet componist Peter Schat geen gelegenheid voorbij gaan om zijn afschuw over het gebouw uit te spreken. Gerrit Komrij, die zich in de jaren tachtig ontpopte als de gesel van de architecten, noemde het ontwerp 'een kadaver'. En in 1982, vijf jaar vóór de voltooiing van het de Stopera, verscheen het boekje Architectenlatijn op het Waterlooplein, waarin Hendrik G. Matthes het ontwerp tot in de kleinste details afbrak. Tijdens de bouw ondernamen krakers een poging de eerste delen te slopen, wat leidde tot een veldslag in de bouwput.

Ook na de ingebruikneming van het Muziektheater in 1986 bleef de Stopera voor rumoer zorgen. Groot was de vrolijkheid onder columnisten toen het dure tapijt in de foyer na de openingsavond onder de brandplekken en wijnvlekken bleek te zitten. Operacritici beklaagden zich over de slechte akoestiek van het Muziektheater. Maar het meeste rumoer veroorzaakte de kostenoverschrijding van de bouw van de Stopera. Het gebouw viel meer dan 100 miljoen gulden duurder uit dan de geraamde 306 miljoen.

Nu, twaalf jaar later, kan worden vastgesteld dat de gevelbekleding nog steeds intact is. En wat voor de gevel geldt, gaat voor het hele gebouw op: de Stopera heeft de tijd goed doorstaan, zeker vergeleken met de nieuwe woningen die tegelijkertijd in de naburige Nieuwmarkt tot stand kwamen en nu tamelijk armoedig ogen.

Nog steeds is de Stopera geen meesterwerk. Gezien vanaf de Magere Brug presenteert het gebouw zich als een dikbuikige moloch waar de toren van de Zuiderkerk schril bovenuit steekt. Het is een eiland in de oude stad, dat van volstrekte onbenaderbaarheid wordt gered doordat de rommelmarkt van het oude Waterlooplein eromheen is gedrapeerd. De oostzijde, waar de ingang van de parkeergarage zit, is chaotisch, terwijl het gebouw zich langs de Zwanenburgwal en de noordzijde aan het Waterlooplein als een ongenaakbare ambtenarenburcht voordoet. Het gebied tussen het Muziektheater en de Amstel is het Amsterdams equivalent van het Rotterdamse Schouwburgplein: een winderige leegte die men alleen trotseert als men naar de onduidelijke ingang van het theater moet.

De Stopera is typisch Nederlandse compromisarchitectuur. Toen zijn stadhuisontwerp veel te duur bleek uit te vallen, stelde Holzbauer in 1979 zelf voor om het te combineren met het operagebouw dat toen nog druk op zoek was naar een geschikte plek in de stad. Dit gebouw was ontworpen door de architecten Bijvoet en Holt, de schoonvader van Cees Dam. Via zijn familieband raakte Dam bij de Stoperabouw betrokken. Zo moest Holzbauer zijn stadhuis niet alleen aanpassen aan het operagebouw, maar kreeg hij ook te maken met de wensen van Dam.

Dergelijke compromisarchitectuur leidt onvermijdelijk tot een middelmatig gebouw waarover niemand echt tevreden is, maar waarover niemand zich opwindt. Zo is het ook met de Stopera. Het is nu een goed functionerend gebouw waaraan men zich niet echt kan storen. Sterker nog, het heeft zelfs duidelijke pluspunten. De foyer van het muziektheater is bijvoorbeeld zonder meer royaal en biedt een prachtig uitzicht op de Amstel en de oude stad. De galerij dwars door het stadhuis heen heeft de gemeentelijke diensten gemakkelijk toegankelijk gemaakt. En het losstaande scherm voor het theater is in de jaren negentig zelfs een architectuurmode geworden.

Van de vroegere opwinding over het gebouw is dan ook niets meer te merken, Amsterdam heeft zich er mee verzoend. Zelfs Peter Schat, die tijdens de Golfoorlog nog hoopte dat een scud-raket de Stopera zou treffen, had er paar jaar geleden geen bezwaar tegen dat zijn opera Symposion, met een libretto van Gerrit Komrij, in het Muziektheater werd opgevoerd.