De kracht van incidenten

Wie wil na de voorbije weken nog beweren dat politiek saai is? Er kon geen soap-serie op tegen de politieke reality-tv die dagelijks op bijna alle zenders te zien was. Wat is mooier dan met de afstandsbediening in de hand over te kunnen schakelen van CNN's Wolf Blitzer live vanuit de tuin van het Witte Huis met het laatste nieuws over de Clinton-Lewinsky-affaire naar Margriet Brandsma van het NOS-Journaal live voor het departement van Justitie met het laatste nieuws over de opstand van de procureurs-generaal tegen minister Winnie Sorgdrager? Politiek als drama, dat was het en dat zal het nog veel meer worden.

Ogenschijnlijk vertoonden het Amerikaanse 'Lewinsky-gate' en de Nederlandse 'muiterij der magistraten' geen enkele overeenkomst met elkaar. In het eerste geval ging het om de eventuele staatsrechtelijke gevolgen van het libido van de president, terwijl in Den Haag het primaat van de politiek ter discussie leek te staan. Seks versus inhoud dus, want we mogen dan als losbandig te boek staan, toch gaat in de Nederlandse politiek de zaak nog altijd voor het meisje. De gemeenschappelijkheid in de kwesties zat in de acute staat van opwinding waarin de media kwamen te verkeren met alle gevolgen van dien.

De Verenigde Staten zijn nu al een paar weken in de ban van iets dat feitelijk nog steeds niet meer dan een gerucht is. In The Washington Post betwijfelde columnist Richard Harwood vorige week of er eigenlijk wel één persorgaan is dat tegenover de rechter zou kunnen bewijzen dat Monica Lewinsky de minnaar van president Clinton was geweest. Er is slechts het gegeven dat de openbare aanklager beschuldigingen onderzoekt. Het heeft de Amerikaanse pers, daarin direct gevolgd door de internationale media er niet van weerhouden all out te gaan. Tekenend voor de collectieve hysterie was de omslag van het toch goed aangeschreven weekblad The Economist van vorige week. If its true: go, stond in chocoladeletters naast een foto van president Clinton. 'Als het waar is' - het is waarschijnlijk het meest gebezigde journalistieke voorbehoud van de afgelopen weken. In de angst om bij de concurrentie achter te blijven heeft de pers alle journalistieke normen laten varen.

Iets soortgelijks gebeurde op de beruchte donderdagavond voor het ministerie van Justitie, nu precies twee weken geleden. Ook daar werd een gerucht - opstand van de procureurs-generaal tegen de minister - binnen een mum van tijd een vaststaand feit. De aanwezige media waren elkaars bron, de echo diende als ultieme bevestiging. Natuurlijk is er wat voorgevallen, maar opmerkelijk blijft toch dat de twee partijen die binnen met elkaar achter gesloten deuren aan tafel zaten, de minister en de procureurs-generaal, geen van beiden het gesprek hebben ervaren als een opstand. Toch was het dit in de pers geschapen beeld dat een dag later bepalend was voor de opgewonden stemming in de ministerraad.

De Lewinsky-zaak in de Verenigde Staten en de PG-rel in Nederland maken nog eens duidelijk dat veel sneller dan voorheen geruchten en losse gebeurtenissen in de pers een geheel eigen dynamiek kunnen krijgen. De journalistieke drempel om iets als feit te publiceren is duidelijk lager komen te liggen. Bronnen die belang hebben bij het creëren van een bepaald beeld maken hier dankbaar misbruik van. Nog gemakkelijker dan voorheen kunnen via de band van de media de posities worden bepaald.

Er zijn diverse redenen voor aan te geven hoe het allemaal zo ver gekomen is. Voor de politiek geldt in elk geval dat het verdampen van ideologische tegenstellingen heeft geleid tot een trivialisering van het politieke nieuws. De incidenten met hun diverse uitingsvormen bepalen in hoge mate de politieke agenda. Waar dat toe leidt valt ook in Nederland bijna dagelijks waar te nemen. Beleid is voor een bestuurder bijzaak, het gaat om overeind blijven. Een politicus wordt nauwelijks meer op zijn daden beoordeeld, maar des te meer op zijn functioneren.

Een ministeriële loopbaan is daardoor vooral een kwestie van ongeschonden overleven geworden. Nog nooit is er zoveel gebungeld en gewankeld. Geen debat loopt nog af zonder kleerscheuren. Cruciaal is het antwoord op de vraag hoeveel kwetsuren tijdens de rit kunnen worden genoteerd. Natuurlijk is voor de oordeelsvorming het functioneren van een politicus van belang, maar in het tijdperk van de imagologie lijkt het soms alleen nog maar te gaan tussen aangeschoten en niet-aangeschoten. (Dat desondanks in Nederland iedere bewindspersoon al dan niet strompelend de eindstreep haalt, doet niet terzake.)

Het huidige nerveuze klimaat voorspelt niet veel goeds voor de aanstaande verkiezingscampagne. De sombere voorspelling is dat het bij een totaal gebrek aan tegenstellingen een campagne wordt die nergens over gaat. Het aantal belangstellende media is desondanks omgekeerd evenredig aan het aantal geschilpunten. Dus wordt het een campagne waar alles draait om de beeldvorming. Onthullend waren in dit verband de woorden die CDA-lijsttrekker De Hoop Scheffer twee dagen geleden sprak in het televisieprogramma Den Haag Vandaag. Tot tweemaal toe zei hij dat de huidige peilingen voor hem weinig betekenis hadden, omdat incidenten tijdens de verkiezingscampagne nog alles zouden kunnen veranderen. Zo ver is het dus al gekomen: de lijsttrekker van de grootste oppositiepartij die zijn electorale hoop vestigt op incidenten.

Dat neemt niet weg dat De Hoop Scheffer waarschijnlijk gelijk heeft. De totale vlakte van het politieke landschap leidt ertoe dat politici die aandacht willen en zich tegelijkertijd niet uit de markt mogen prijzen het zullen moeten hebben van even vrijblijvende als opvallende oprispingen. De hongerige en hunkerende media doen vervolgens de rest. Een incident is onder dergelijke omstandigheden snel geboren.

Maar de afloop blijft altijd ongewis. Ook dat heeft de casus Clinton geleerd. Twee weken geleden hing zijn politieke leven volgens de analisten nog aan een zijden draad. Thans bevinden de waarderingscijfers voor hem zich op een hoogtepunt. Politiek is meer dan ooit een kwestie van pokeren geworden.