Boosaardige collega's

Naar schatting worden zo'n 250.000 Nederlanders op hun werk gepest. In fabrieken veel meer dan op kantoren, maar in het eerste geval wordt dat door de bedrijven niet als een probleem ervaren want 'het hoort er gewoon bij'. Bedrijfseconomisch is het verschijnsel van belang, want waar veel gepest wordt is ook veel ziekteverzuim.

'De problemen waren begonnen na mijn promotie, die menigeen niet had verwacht. Vanaf dat moment werd ik volledig genegeerd op de werkvloer. De jaloezie kende geen grenzen. Mijn functioneren werd gehekeld, mijn integriteit werd in twijfel getrokken, zelfs mijn huwelijksleven en mijn kinderen werden door de modder gehaald. Het werk was altijd alles voor mij geweest, maar tegen deze psychologische terreur was zelfs geen olifantshuid bestand. Ik meldde me ziek, werd hoe langer hoe depressiever en uiteindelijk probeerde ik zelfmoord te plegen.''

Het begint bijna altijd met een grapje. Onschuldig, zo lijkt het. Niets om je druk over te maken, gewoon wat plaagstootjes tussen collega's. Zoals kinderen met elkaar kunnen omgaan op het schoolplein. Maar net zoals in de klas een plagerij kan uitlopen op psychologische oorlogsvoering, zo kan ook de werkplek voor sommigen veranderen in een omgeving waar overal vijanden op de loer liggen. Soms zijn het collega's, soms is het de chef van de afdeling die zich aan het pesten te buiten gaat. Wie geen goed verweer heeft, is snel tot slachtoffer gebombardeerd - en blijft dat tot een betere kandidaat gevonden is.

Pesten op het werk is de laatste twee jaren in Nederland sterk in de belangstelling gekomen. Een onderzoek van psychologe Adrienne Hubert van de Rijksuniversiteit Leiden naar mobbing op de werkplek kreeg nationaal en internationaal veel aandacht. Hubert, inmiddels werkzaam bij het onderzoeksbureau Research voor Beleid, onderzocht (in samenwerking met Arbodienst West te Rijswijk) bij verschillende organisaties of en hoe vaak er sprake was van “systematisch pestgedrag, gericht op steeds dezelfde persoon, waarbij deze persoon zich niet effectief weet te verweren”.

De uitkomst van een eerste pilot-studie bij een productiebedrijf was schrikbarend. Eén op de tien werknemers in die onderneming werd stelselmatig gepest, door collega's of leidinggevenden, zo bleek uit een enquête onder het personeel. Vervolgonderzoeken bij een bankverzekeraar en een productiekantoorbedrijf leverden een wat minder somber beeld op. Bij de bankverzekeraar zei minder dan 1 procent van het personeel slachtoffer te zijn van pestgedrag, bij het productiekantoorbedrijf voelde 3,5 procent van de medewerkers zich op de werkplek belaagd. “Opvallend was, dat men bij het productiebedrijf uit de pilot-studie helemaal niet verbaasd was over die tien procent. 'Pesten hoort er hier nu eenmaal bij. Daar moet je tegen kunnen' was de reactie. Bij het productiekantoorbedrijf was men juist heel erg geschrokken van de uitkomst”, zegt Hubert.

Hoeveel werknemers in Nederland het slachtoffer zijn van mobbing - een term die volgens Hubert serieuzer overkomt dan pesten - is moeilijk te achterhalen. Het onderzoek naar deze vorm van terreur staat nog in de kinderschoenen en bovendien staan de slachtoffers zelf vaak niet te springen om met hun verhaal naar buiten te komen. Maar dat het om grote aantallen gaat, staat volgens Hubert als een paal boven water. “Volgens schatting overkomt het zo'n 250.000 mensen in Nederland”, schrijft Bob van der Meer in zijn vorig jaar verschenen boek 'Pesten op het werk', waaruit ook het citaat aan het begin van dit verhaal afkomstig is. Eén op de vier medewerkers/sters binnen bedrijven worden in een werkzame periode van dertig jaar slachtoffer van dit soort praktijken.

Zowel Hubert als Van der Meer refereren regelmatig aan een studie van de Duitse onderzoeker Heinz Leymann, begin jaren negentig in een aantal Zweedse bedrijven. Volgens Leymann lijkt mobbing seksegebonden te zijn. Zo pesten mannen voornamelijk mannen en worden vrouwen op het werk voornamelijk door andere vrouwen belaagd. Hoewel pestgedrag zich niets aantrekt van functieniveaus - op de directiegang kan net zo hard gepest worden als op de werkvloer - is het volgens Leymann wel zo dat mobbing het meest (44 procent) voorkomt bij collega's onderling. In 37 procent is er sprake van leidinggevenden die hun ondergeschikten terroriseren, terwijl het slachtoffer in 10 procent van de gevallen zowel door collega's als leidinggevenden wordt gepest. Iets minder vaak (9 procent) richten de pestactiviteiten zich juist tegen de hogergeplaatsten.

Mobbing komt zoals gezegd in alle lagen van het bedrijf voor. In de manier waarop er wordt gepest, zijn vaak wel grote verschillen. Op de werkvloer zijn de pesterijen snel fysiek, meestal in de vorm van harde grappen, soms in de vorm van rechtstreekse bedreigingen of vernielingen van eigendommen. “Dat laatste zijn we niet vaak tegengekomen. Maar uit de verhalen blijkt wel hoe snel het pestgedrag uit de hand loopt. Bijvoorbeeld dat iemand opgesloten werd door de deur van de toilet echt dicht te timmeren, of dat collega's in een ziekenhuis urinezakjes heen en weer gingen gooien in een ruimte die door het slachtoffer moest worden schoongemaakt, vertelt Hubert.

De pesterijen onder het 'witte-boorden'-personeel verlopen meestal subtieler - en zijn juist daardoor minder gemakkelijk te traceren. Slachtoffers worden niet meegevraagd voor de lunch, krijgen niet door dat er telefoontjes voor hen zijn binnengekomen, worden op alle mogelijke manieren sociaal buitengesloten. Soms gaan de pesters volgens Hubert zo ver dat er echt sabotage wordt gepleegd, in de vorm van weggeraakte rapporten of bestellingen die expres verkeerd worden doorgegeven.

Ook in het boek 'Pesten op het werk' blijkt uit de vraaggesprekken met slachtoffers dat zulke praktijken voorkomen. “Ik werkte als tweede secretaresse bij een advocatenkantoor. Al snel merkte ik dat ik niet lekker viel bij een oudere collega. Het begon met kleine irritaties. Vroeg ik om een dossier, dan moest ik nog drie, vier keer aandringen. Alsof het staatsgeheimen waren. Na een tijdje merkte ik dat mijn collega na werktijd mijn brieven overtypte en vervolgens, vol met spelfouten, op het bureau van mijn baas deponeerde. Vanaf dat moment was het duidelijk, dit wordt oorlog. Ik heb het uiteindelijk maar een paar maanden volgehouden”, tekende Van der Meer op.

Wat maakt iemand tot een slachtoffer? En wie zijn de daders? Valt er een sluitend profiel van de gepeste en de pester te maken, of is het vooral een kwestie van 'verkeerde tijd, verkeerde plaats'? Van der Meer is het meest uitgesproken hierover. “Iedere persoon loopt kans slachtoffer te worden”, schrijft hij in zijn boek. Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe: “Sommigen lopen echter een iets grotere kans dan anderen het slachtoffer van pesterijen op het werk te worden.” Psychologe Hubert legt er vooral de nadruk op dat eenvoudige antwoorden niet te geven zijn. “Het ligt vaak heel subtiel. Dat maakt het ingewikkeld om de onderliggende relaties in beeld te krijgen.”

Dat de omgeving, de groep waarin mensen werken, een belangrijke rol kan spelen, staat voor beide 'pestdeskundigen' vast. Ieder bedrijf en iedere afdeling heeft eigen ongeschreven normen en waarden, die door het personeel te vuur en te zwaard worden verdedigd. “Is de norm binnen de groep 'je maten niet te naaien' en een persoon heeft deze norm overtreden, dan loopt hij de kans het slachtoffer van de groep te worden. Is de norm binnen de groep dat je je niet moet uitsloven, te hard moet werken, en iemand doet dit wel en gaat daar prat op, dan loopt hij ook een grote kans slachtoffer te worden”, aldus Van der Meer.

Houdt iemand zich niet aan de belangrijkste normen en waarden in de groep, dan zal de omgeving eerst proberen om de afwijker in het gareel te krijgen. “Vaak begint het met een beetje plagen. Dat is nog helemaal niet erg. Zoiets maakt deel uit van het socialiseringsproces. Het gaat fout als mensen zich niet willen aanpassen. Dan gaat het plagen over in pesten met als gericht doel: verstoting uit de groep”, stelt Hubert. Zulke processen doen zich volgens haar eerder voor op afdelingen waar nauw moet worden samengewerkt en wanneer de druk van buitenaf groter wordt. “Bijvoorbeeld in een situatie waarbij de afdeling wordt bedreigd met inkrimping. Iedereen werkt over, maar één iemand moet iedere dag op tijd weg om de kinderen van school op te halen. Die persoon wil zich niet aanpassen aan de groep en kan daarmee een slachtoffer van pestgedrag worden.”

Naast het 'anders zijn', noemt Van der Meer nog drie factoren die op mogelijke slachtoffers van toepassing kunnen zijn. In de eerste plaats is dat het zogeheten zondebokfenomeen - het verschijnsel dat mensen zondebokken (nodig) hebben. Een groepsprobleem dat volgens Van der Meer “van alle tijden” is. Daarnaast zijn het meestal de “emotioneel gevoelige individuen” die tot slachtoffer worden uitgekozen en mensen die al eens eerder (bijvoorbeeld op school) zondebok zijn geweest. Zulke werknemers vertonen vaak angstreacties, die zich uiten in extreem teruggetrokken gedrag of juist in provocerend agressief optreden. “Beide gedragingen worden echter door notoire pesters feilloos opgevangen en geïnterpreteerd met: Die kan je pakken”, aldus Van der Meer.

“Slachtoffers worden vaak gestigmatiseerd”, zegt Hubert. “Op een bepaald moment heeft iedereen een negatief beeld van zo iemand. De mensen zelf gaan er op een bepaald moment ook in geloven. Als gevolg van het pestgedrag worden ze vaak wantrouwig, cynisch en agressief. Tijdens ons onderzoek hebben we bijvoorbeeld gesproken met een mevrouw die gepest werd omdat zij zo hard lachte. Die vrouw vertelde dat ze al ruim een jaar niet meer had gelachen op het werk - daar had ze geen enkele reden meer voor - maar de grappen over dat lachen gingen gewoon door.” Voor pestgedrag is een slachtoffer nodig, maar ook een dader. Tijdens het onderzoek dat Hubert bij drie verschillende organisaties uitvoerde, heeft zij geprobeerd inzicht te krijgen in de beweegredenen van de daders. “Helaas gaven weinig daders in de enquêtes toe dat zij zich schuldig maakten aan mobbing. Voor een deel hangt dat waarschijnlijk samen met sociaal wenselijk gedrag, maar wat ook meespeelt is dat de daders vaak zelf niet goed doorhebben waar ze mee bezig zijn.”

Duidelijk is wel, stelt de onderzoekster, dat er mensen zijn die zich van nature hard opstellen en die snel op zoek gaan naar mensen die gevoelig zijn voor pesten. Dat signaleert ook Van der Meer: “De pester heeft een uiterst beperkt gedragsrepetoire: hij kan slechts op één, en dan nog uiterst vijandige manier, met anderen omgaan. Wanneer hij niet gecorrigeerd of geholpen wordt [...] loopt hij de kans zijn pestgedrag voort te zetten in sport- of hobbyclub, gezin, vriendenkring, maatschappij.”

Wanneer er in de werkomgeving wordt gepest, verslechtert dat de sfeer in het bedrijf en de motivatie om te werken - dat geldt voor het slachtoffer, maar ook voor de 'zwijgende middengroep', de collega's die soms wel soms niet meedoen aan het pesten en zich vaak ongelukkig voelen met de situatie. “Ze wisten dat wat er gebeurde fout was, maar staken hun nek niet uit”, schrijft Van der Meer. Vaak blijven de omstanders stil, of pesten ze mee, omdat ze bang zijn dat ze anders zelf tot slachtoffer gebombardeerd worden.

Uit het onderzoek van Hubert blijkt dat op afdelingen waar gepest wordt, het ziekteverzuim zichtbaar hoger ligt dan elders in het bedrijf. Ziekteverzuim dat de werkgever uiteindelijk veel geld kan kosten. In opdracht van Arbodienst West onderzoekt Hubert nu de mogelijkheid van een programma dat mobbing op de werkplek moet voorkomen of in ieder geval er toe moet leiden dat in een vroeg stadium signalen bij de leiding van de afdeling of het bedrijf terechtkomen.

Een pasklaar antwoord op de vraag waarom pestgedrag op de ene afdeling voortdurend voorkomt en op de andere niet, hebben de onderzoekers nog niet gevonden. Wat in ieder geval niet helpt, is het eenvoudigweg overplaatsen van de dader of het slachtoffer naar een andere afdeling. “Het hangt natuurlijk af van de oorzaak, maar in veel gevallen zie je dat het pestgedrag gewoon doorgaat, maar dan tegen een ander”, aldus Hubert. Bovendien grijpt de leiding vaak pas in als het pesten al geruime tijd aan de gang is, met alle nadelige gevolgen van dien.

In de bestrijding van pestgedrag spelen leidinggevenden volgens Hubert een cruciale rol. In negatieve zin, omdat in veel gevallen de hogergeplaatste het pesten tolereert of zelfs de drijvende kracht erachter is. In positieve zin, omdat eigenlijk alleen de leidinggevenden er voor kunnen zorgen dat het pestgedrag in hun bedrijf (zoveel mogelijk) wordt uitgebannen. De beste verdediging die leidinggevenden daarbij kunnen hanteren, is door steeds weer duidelijk te maken dat pestactiviteiten niet geaccepteerd worden. Iedereen moet beseffen dat er ook op dat gebied normen en waarden zijn. Hubert: “De norm moet zijn dat pestgedrag niet getolereerd wordt. Dat mensen op een normale manier met elkaar horen om te gaan.”