Antroposofen ingenomen met erkennen van de feiten

Opgelucht is gereageerd op een rapport van de Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN), waarin wordt erkend dat een aantal uitspraken van de grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner, discriminerend is.

ROTTERDAM, 5 FEBR. Leraar Nederlands M. Seelen van de Geert Grote School in Amsterdam, die op antroposofische leest is geschoeid, is opgelucht over het gisteren gepubliceerde rapport over omstreden uitspraken van Rudolf Steiner. Hij ondersteunt ook het plan van de Bond van Vrije Scholen om een antidiscriminatiecode te ontwerpen. “Alleen jammer dat ze pas zo laat overstag zijn gegaan”, zegt hij.

Seelen was de eerste leraar van een Vrije School die drie jaar geleden openlijk afstand nam van een aantal racistisch getinte uitspraken van Steiner. Dit gebeurde na een rel op de Vrije School in Zutphen waar een vrouw had geconstateerd dat haar kind bij het vak Volkenkunde leerde dat het zwarte ras een lagere vorm van geestelijk bewustzijn zou hebben dan het blanke.

Seelen onderzocht daarop het werk van Steiner en vond vijf passages die volgens hem niet door de beugel konden. Hij wees de Bond van Vrije Scholen op de noodzaak stelling te nemen, maar “ze vonden het niet belangrijk genoeg”.

De AViN werd kort daarna opnieuw geconfronteerd met het probleem 'Steiner en racisme' na een uitspraak van haar vice-voorzitter over het 'vitaliteitsoverschot' dat zwarten van blanken zou onderscheiden.

Door de golf van negatieve publiciteit die zo langzamerhand rond het onderwerp Steiner en racisme was ontstaan, voelde de AViN voelde zich gedwongen toch iets te doen. Een commissie begon het werk van Steiner te 'screenen' op racisme. Het voorlopige resultaat werd gisteren gepresenteerd met als conclusie dat in Steiners verzameld werk in totaal 62 uitspraken een licht tot zwaar discriminerend karakter hebben.

Al is het dan de “druk van buiten” geweest die tot het zelfonderzoek heeft geleid, Seelen is blij met de uitkomst. Maar de antidiscriminatiecode die de Bond wil instellen, is vooral een formalisering van wat op de Geert Grote School al is gebeurd. Door de schoolschriften van de afgelopen jaren te bestuderen heeft de school het vak Volkenkunde al 'gescreend' op stereotypering van volkeren, zegt Seelen. “We zijn niets tegen gekomen wat niet door de beugel zou kunnen.” Van belang is volgens hem vooral dat het rapport een stellingname betekent tegen dogmatiek. “We moeten Steiners werk kritisch lezen, anders zitten we in een sekte.”

H. Passenier, directeur van de Vrije School in Zutphen waar in 1995 de rel over racistisch onderwijs uitbrak, noemt het rapport van de AVin eveneens een “bevestiging van een ontwikkeling die al langer aan de gang is”. De affaire met het schrift in 1995 drukte zijn school met de neus op de feiten dat er “iets stil was blijven staan”, zegt hij. Sindsdien is er veel veranderd; de leraar die destijds het 'rassenschema' liet opschrijven, doceert nog wel op de school maar geen Volkenkunde meer. De gewraakte hiërarchie in fasen van bewustzijn wordt niet meer onderwezen. Het rapport is volgens Passenier ook een erkenning van de 'rekkelijke' antroposofische opvatting dat “we niet alles wat Steiner heeft gezegd, moeten aannemen”.

Op de Vrije School in Den Haag is het “zelfonderzoek” ook al langer aan de gang, zegt bestuursraadslid I. Anderson. Sinds de affaire in 1995 hebben leerkrachten bij elkaar gehospiteerd en hebben ze elkaars schoolschriften onderzocht. Hij is blij met het rapport, maar erkent dat de AViN en de Vrije Scholen aan de late kant zijn met het officiele antidiscriminatiebeleid. “Het was goed geweest als we eerder waren begonnen. Maar de veelkleurige samenleving heeft zich snel ontwikkeld en om in het onderwijs alle vernieuwingen te kunnen bijbenen, moet je een hele moderne organisatie zijn.”