Werkloosheidsmarsen

DE SOCIALE ONRUST in twee grote Europese landen breidt zich uit en begint daarmee een politieke factor van betekenis te worden in de opmaat naar de Europese monetaire eenwording. In Frankrijk hebben al bijna twee maanden demonstraties tegen de werkloosheid plaats en in Duitsland beginnen deze week in het hele land werkloosheidsmarsen.

Met een werkloosheid die in Duitsland loopt naar de vijf miljoen mensen en in Frankrijk, ondanks een gestage daling, nog altijd ruim drie miljoen mensen bedraagt, gaat het om een maatschappelijk vraagstuk van de eerste orde. Massawerkloosheid, militante acties en politiek radicalisme roepen in Europa huiveringwekkende herinneringen op. De eerste opdracht voor de Duitse en Franse politieke leiders is dan ook om de sociale onvrede te kanaliseren. Premier Jospin heeft dat, met een gebaar van goede wil, de afgelopen weken met enig succes geprobeerd. Hij heeft daarbij ook duidelijk gemaakt niet bereid te zijn voor de druk van de straat te wijken.

Even dringend is de taak om het beleid in Frankrijk en Duitsland om te buigen in de richting van het scheppen van meer banen. In beide landen is sprake van een aantrekkende groei, die is aangezwengeld door de exportsector dankzij de verzwakking van de D-mark en de Franse franc, en die begint over te slaan naar de binnenlandse consumptie. De Aziatische crisis zal hierop naar verwachting geen duurzame negatieve invloed uitoefenen. Bovendien zijn de begrotingsombuigingen die noodzakelijk zijn voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) grotendeels achter de rug. Het tijdelijke groeidempende effect dat hiervan is uitgegaan, is daarmee gepasseerd.

Maar economische groei vertaalt zich niet automatisch in lagere werkloosheid, zo is ook de Nederlandse ervaring geweest. En hier komt de kern van het werkloosheidsvraagstuk in Europa aan de orde. Dat is het structurele onvermogen om van uitkeringsontvangers weer loontrekkers te maken.

HET EUROPESE sociale model kan slechts gehandhaafd blijven als dit gedragen wordt door sterke economieën die concurrerend zijn en banen scheppen. De Europese paradox is dat juist de last van de werkloosheid de grootste druk op het sociale model uitoefent en dat houdbaarheid van de sociale zekerheid vraagt om grotere economische dynamiek. Zoals Sir Leon Brittan, de Britse Eurocommissaris, onlangs zei: “Versterking van het concurrentievermogen vormt de beste garantie voor de Europese manier van samenleving.”

Het 'poldermodel' heeft het afgelopen jaar de nodige aandacht in Europa getrokken als een sociale formule voor banengroei. Het geheim ervan is niet gelegen in de Nederlandse overlegcultuur, maar in de bereidheid om in overleg tussen overheid en sociale partners tot afspraken te komen over herziening van de institutionele arrangementen van de verzorgingsstaat. Hieraan ontbreekt het in Frankrijk en Duitsland.

Natuurlijk heeft Duitsland te kampen met de verwerking van een toevloed van immigranten en met de naweeën van de hereniging. Het beleidsantwoord hierop heeft ten enenmale gefaald. De flexibilisering van de arbeidsmarkt is niet van de grond gekomen door de ijzeren greep van de Duitse vakbeweging, de pogingen tot herziening van de sociale zekerheid zijn vastgelopen op de categorische weigering van CDU-minister van Sociale Zaken Norbert Blüm om ook maar iets te veranderen, de voorgestelde belastinghervorming is mislukt door de oppositie van de SPD. De Duitse politiek is terechtgekomen in een staat van verlamming die naar valt te vrezen tot de verkiezingen eind dit jaar zal voortduren. Het gevolg van dit alles - en meer - is dat werkgelegenheid een van Duitslands succesvolste exportproducten is geworden.

In Frankrijk weten sommige autoriteiten - bijvoorbeeld de president van de Banque de France - maar al te goed dat het kabinet-Jospin met zijn voorstel voor een verplichte 35-urige werkweek in 2000 de starheid van de sociaal-economische structuur vergroot. Niettemin probeert minister Strauss Kahn (Financiën) met redeneringen die slechts Fransen kunnen verzinnen, in internationale fora te rechtvaardigen dat deze dirigistische regeling tot grotere harmonie zal leiden. In Frankrijk vormen de inflexibiliteit van de arbeidsmarkt en de loonvorming - vooral de jeugdlonen - de grootste belemmeringen voor het scheppen van banen.

HELAAS. De demonstranten keren zich niet tegen de gevestigde sociaal-economische belangen en de spandoeken pleiten niet voor grotere dynamiek. De druk van de markt, zoals die in Nederland en andere Europese landen heilzaam gewerkt heeft, om het beleid te verleggen naar structurele aanpassingen, moet in Frankrijk en Duitsland door belangrijke maatschappelijke instituties nog altijd worden onderkend.