Tsai Ming-Liang laat eindeloos stil naar liefde streven

ROTTERDAM, 4 FEBR. Een op het Schouwburgplein opgestelde glazen kooi, waarin twee vrij-worstelaars een demonstratie gaven van het soort gevechten dat het onderwerp vormt van de Nederlandse speelfilm Temmink van Boris Paval Conen, wees het Rotterdamse publiek gisteren op het feit dat er maar liefst vier Nederlandse films tegelijk in première gingen.

Alle vier maken deel uit van het project Route 2000, low-budgetfilms van debuterende regisseurs, van de jonge productiefirma Motel Films, die vorige week vrijdag in het Cultureel Supplement uitgebreid werden gesignaleerd. De naam Motel Films wijst zowel op de combinatie Movies & Television als op de tijdelijkheid van dit onderkomen voor doorstromend talent.

Een echt motel is de centrale locatie van de Zuid-Koreaanse competitiefilm Motel Cactus van de debuterende regisseur Park Ki-Yong. In vier episoden wordt daarin nogal monotoon de treurigheid van terloopse liefde bezongen. De ster van Motel Cactus is geen acteur of regisseur, maar de Australische cameraman Christopher Doyle, bekend van zijn films voor regisseur Wong Kar-wai en Chen Kaige's Temptress Moon. Hij beweegt zijn camera woest heen en weer, ook tussen scherp en onscherp, in modieuze neonkleuren. Doyle pleegt een zwaar stempel te drukken op al zijn films. Die onmiskenbare stijl begint ook een irritant maniertje te worden.

De vorig jaar in Rotterdam voorspelde golf van Koreaanse films komt nog niet echt overtuigend aanspoelen, maar daar kan vanaf volgende week op het Berlijnse festival verandering in komen, want daar is veel nieuw Koreaans werk te zien. Opmerkelijk, gezien de nauwe samenwerking van Rotterdam met het jonge festival in de Zuid-Koreaanse havenstad Pusan, dat zich in een paar jaar tijd ontwikkelde tot het belangrijkste filmfestival van Azië.

De beste film die ik tot nu toe in Rotterdam gezien heb is ook Aziatisch en werd geregisseerd door wellicht de meest consistente en gedurfde filmauteur van dit moment, de in Maleisië geboren Taiwanees Tsai Ming-liang. The River (He liu), vorig jaar in Berlijn bekroond met een Zilveren Beer, is pas Tsai's derde film, steeds met dezelfde onzekere jongeman Xiao-kang (Lee Kang-sheng, Tsai's alter ego) in de hoofdrol.

Net als in Rebels of the Neon God en Vive l'amour zoekt Xiao-kang naar liefde en naar zijn homoseksuele identiteit in de verbijsterend kille en onpersoonlijke wereldstad Taipei. In The River wordt hij na als figurant voor lijk te hebben gedreven in een speelfilm en een ongeïnspireerde vrijpartij met een meisje, geplaagd door een stijve nek. Alleen al dat beeld van zijn fysieke pijn, in veelal eindeloos durende, tamelijk gebeurtenisloze camera-instellingen, maakt van The River een fascinerende film. Net als in het eerste deel van de trilogie zijn de even wanhopig naar liefde strevende, maar langs elkaar heen levende ouders van Xiao-kang weer present. In een schokkende scène ontmoet de jongen zijn vader in de 'dark room' van een homosauna, zonder dat zij elkaar direct herkennen tijdens de tergend langzame vrijage.

De films van Tsai Ming-liang maken het de kijker niet eenvoudig, maar geduld in het ondergaan van de bijna ondraaglijke beelden en geluiden van de stilte, wordt beloond met een unieke filmervaring. De regisseur zelf geeft in Rotterdam blijk van een tamelijk opgeruimd karakter. Zijn volgende, inmiddels voltooide film The Hole, met weer dezelfde personages, is naar zijn zeggen een musical, maar wel een met veel stilte.