Maak van de journalist geen volksvijand

Volgens minister Sorgdrager hebben de media de crisissfeer rondom de PG's uitgelokt. Dat klopt niet, vindt journalist Hans Laroes. Er was muiterij, of die nu spontaan was of van tevoren bedacht.

Toegegeven: er speelt enige beroepsdeformatie mee. Ik ben journalist. Maar uit nieuwsoogpunt gezien hebben we een prachtige periode achter ons. Eerst trilde Groningen, omdat de burgemeester bij nachtelijke rel en ontij ging slapen. En omdat er meer aan de hand bleek in de gecompliceerde driehoeksverhouding tussen bestuur, justitie en politie. Daarna zinderde het in Washington waar de president wellicht iets te veel had met een stagiaire - en misschien wel had aangezet tot meineed? En vervolgens dreunde Den Haag onder het conflict tussen minister Sorgdrager en haar procureurs-generaal.

In essentie zijn deze conflicten in hun heftigste uitingsvorm voorbij. In alle gevallen schuift de focus nu in de richting van de journalistiek en vooral in die van de televisie.

In verband met de Groningse crisis sprak Jacques Monasch (NRC Handelsblad, 27 januari) over 'zwaailichtjournalistiek'. In de Verenigde Staten woedt na Monica-gate nu Media-gate: hebben ze via internet, via halve en hele onwaarheid-bevattende primeurs niet volkomen naast de werkelijkheid geopereerd? En in Nederland kwam minister Sorgdrager de Tweede Kamer melden dat de media de crisissfeer rondom haar en de PG's hebben uitgelokt door een rechtspositioneel geschil te vergroten tot muiterij en een gezagsconflict.

Ministers moeten de Tweede Kamer juist en volledig inlichten. Toegegeven, het betreft hier een interpretatie van de kant van de minister, niet een feit, maar zij is onjuist.

Beter gezegd: de oren vielen me van m'n hoofd.

Het is een goed journalistiek gebruik bronnen niet te onthullen. Dat moet zo blijven. In z'n algemeenheid valt wél iets te zeggen: op die 22ste januari werd een fullscale-oorlog gevoerd, met alle mogelijke middelen. Informatie, lekken, ze waren overal. Zo gaat dat in dit soort crisisperiodes. De belangrijkste taak van de journalistiek is dan niet om op zoek te gaan naar lekken, maar om de essentie uit die lekkages te halen en te bekijken wie wie gebruikt. En nieuws te melden.

Wij waren er dus gelukkig mee dat we in het achtuurjournaal van die donderdag konden melden dat Steenhuis cum suis de minister van Justitie in een kort geding voor de rechter wilden slepen. Dat was een primeur, het klopte nog ook en het was zonder precedent.

Wie zegt dat ook een procureur-generaal een werknemer is (die op een spandoek best om 2,5 procent of een bijbaan meer mag vragen) heeft gelijk. Maar wie niet onderkent hoe bijzonder het is dat de top van het openbaar ministerie de eigen minister voor de rechter daagt - wie niet ziet welk een diepere betekenis zo'n conflict heeft, is niet meer van deze wereld.

Gelukkig kan de minister-president als getuige à decharge dienen. Zijn bemoeienis met het conflict was groot. Het zou mij niet verbazen als de loyaliteitsverklaring van Docters van Leeuwen, waarin hij het gezag van de minister van Justitie zei te erkennen, in het Torentje is opgesteld. Maar dat is gissen.

Naar Koks opvattingen hoefden we niet te gissen. Kok, die bruggenbouwer heet te zijn en dat ook meestal is, koos de meest vileine bewoordingen om het gedrag van de PG's te veroordelen.

Sommigen - zoals hoogleraar geschiedenis Henri Beunders - menen dat pers en politiek in een zodanig incestueuze relatie met elkaar verkeren, dat Kok zijn woorden alleen maar koos omdat het rode lampje van de camera ging branden. Dat is een onderschatting van Kok en een onderschatting van de werkelijkheid. Er was - de facto - muiterij, of die nu spontaan-ongelukkig was of van tevoren bedacht. Iedere politicus en ieder lid van de vierde macht was in staat van opwinding, om de achtergrond en de uitkomst van dit conflict.

En wij met hen.

Minister Sorgdragers verwijt aan de media klopt dus niet. Dit verwijt is, in gewoon Nederlands, onzin, en alleen te verklaren uit de noodzaak weer iets van pais en vree te bewerkstelligen tussen haar en het OM. Kom op jongens, eigenlijk houden we van elkaar.

Natuurlijk spelen de media een grote rol, vooral radio en televisie. Conflicten als deze blijven zelden binnenskamers, de hoofdrolspelers zijn niet anoniem maar zijn boos, terughoudend, onhandig op ieder televisiescherm. Sommigen bespelen de media, anderen voelen zich aangetast door onze belangstelling. Het actie-reactiepatroon verhevigt en oordelen worden sneller gevraagd en gegeven. Dat is allemaal waar. Maar is het ook onwenselijk?

Laten we Groningen als voorbeeld nemen. Monasch spreekt over 'zwaailichtjournalistiek' omdat vijftien cameraploegen in de Groningse rechtszaal staan. Maar dat is - hoewel onhandig in zo'n zaal - geen relevant gegeven. Toen er meer kranten kwamen, kwamen er meer schrijvende journalisten met kladblokjes. Later voegden zich de radiocollega's bij de groep. En nu verschijnen steeds meer camera's: er zijn immers nogal wat landelijke en regionale tv-zenders bijgekomen, de meeste met nieuwsprogramma's.

Daar valt niet veel aan te doen en er hoeft ook niets aan gedaan te worden: hoogstens het aantal cameraploegen beperken als de zaal te klein is.

Maar Monasch richt zich eigenlijk vooral tot de hoofdrolspelers: landelijke en lokale politici, bestuurders. Zij geven hun oordeel voor camera en microfoon veel te snel, op een half feit gebaseerd. En dat kan best eens waar zijn. De oplossing is er ook: niet meteen gaan zwatelen als de camera aangaat, maar even nadenken. En de cameraploeg later terug laten komen, als het oordeel wat meer bezonken is. Dat is - misschien - jammer voor de haastige journalist, maar dat is dan pech.

Zoals zo vaak is de oplossing simpel: de journalistiek - beter: de journalist - moet zijn of haar werk goed doen. Dat betekent: snel zijn en zo compleet mogelijk. Meespelend in het politiek-journalistieke complex dat Den Haag ook is, en juist door de tango die journalistiek en politiek permanent dansen kritische afstand bewarend. Excellentie zeggend tegen de minister-president, niet Wim. Nadenkend over de bedoelingen van een lek, niet de kraan open zettend.

Soms, op sommige plekken, gaat het fout. Monica-gate is daar een voorbeeld van. In essentie is het verhaal: liegt de president en heeft hij aangezet tot meineed? Maar eigenlijk hebben veel kranten (juist, ook kranten) en tv-programma's de essentie gereduceerd tot een onderbuikverhaal: never mind the facts, gimme a juicy story.

Dat deugt niet en het aardige is dat zowel de serieuze pers als de lezers en kijkers nu een 'dat nooit meer'-houding innemen. Lezers en kijkers. Dat is het verheugende: de slinger vliegt snel terug in het gezicht van de media wier ruggengraat uit pulp bestaat. Zo groot, zo manipulatief is de invloed van die media dus niet dat zij een snelle tegenreactie uitsluit. En zo hoort het.

Er mag dan een stille staatsgreep zijn voorbereid door de vermaaksindustrie (William Pfaff in de Washington Post over de media die een week lang openden met de nieuwe hond van Clinton; Henri Beunders over Nederland), die staatsgreep heeft zich in een hoekje van het speelveld afgespeeld. Die tegenreactie is gaande, het debat wordt gevoerd, normen worden nader geformuleerd.

Toch klinkt een voortdurende roep om het afleggen van verantwoording door de pers. D66 Tweede-Kamerlid Boris Dittrich noemt het “zorgwekkend dat de pers, die een belangrijke rol vervult in de democratie, geen verantwoording hoeft af te leggen”.

Dat laatste is maar ten dele waar: er is de Raad voor de Journalistiek, er is de rechter. Er zijn kranten (regionale waren al eerder, de Volkskrant is gevolgd) die er een eigen ombudsman op nahouden. Mijn recept en opvatting is: val ze lastig. Sleep de journalist en zijn krant of programma voor de rechter als daar aanleiding toe is, schrijf brieven, bel de ombudsman. Dat levert correctie op, criteria, normstelling. En genoegdoening als daar aanleiding toe is.

Daar hoort een kanttekening bij, inderdaad. De journalistiek - ik generaliseer maar voor 't gemak - heeft jarenlang gewerkt binnen de vier muren van een zelfgebouwde ivoren toren. Vragen over selectie en aanpak werden en worden vaak afgedaan met de mededeling: wij zijn onafhankelijk, daar gaan we zelf over en we leggen het niet uit.

Onafhankelijkheid is een eerste vereiste natuurlijk, maar uitleg, een rol spelen in het openbare debat, daar verzet niets zich tegen. Transparantie maakt de journalistiek sterker, zal zelfs de onafhankelijke positie versterken.

Want inderdaad, informatie speelt een steeds grotere rol in de maatschappij en in ieders oordeelsvorming en de journalistiek ordent en verklaart, zeeft en sluist. Als het goed is natuurlijk. Of beter bezegd: de serieuze journalistiek. Ook die moet snel zijn, maar vooral goed in het schetsen van context, achtergrond, verbanden.

Met het antwoord op de vraag of het goed is gegaan, mag iedereen zich bemoeien. Wetenschappers, consumenten, Kamerleden. Het is nog niet zo'n gek idee om een ombudsachtig mediaprogramma te ontwikkelen. Er is echter - meen ik - geen reden voor angst, voor grote zorg over steeds toenemende incestueuze relaties tussen pers en nieuwsbronnen, voor verfluttering van het nieuws, zelfs als we niet zo goed zijn als we denken te zijn of zouden willen zijn. We hebben heel wat kijkers en lezers; die corrigeren voortdurend, zelfs zonder rechter en Raad voor de Journalistiek.

De keerzijde van de wat al te gemakkelijke opvattingen over de journalistiek is er ook: er wordt een vijandsbeeld van de journalist gecreëerd dat buiten proportie kan raken, op termijn. En dat is ook niet goed. Want de Clintons, Sorgdragers, Docters van Leeuwens van deze wereld moeten in de gaten worden gehouden vooral om te kijken of ze hun werk goed doen.

Wanneer een kort geding dreigt, als er een gezagscrisis is, dan berichten we daar gewoon over. Ook als de acteurs in hun theater later ontkennen dat zij hun rol hebben gespeeld zoals wij die heben laten zien.