Kabinet: prijsconcurrentie; Studie naar openbreken benzinemarkt

DEN HAAG, 4 FEBR. Het kabinet laat onderzoeken hoe de Nederlandse benzinemarkt kan worden opengebroken. De pomphouders moeten meer op prijs gaan concurreren en nieuwe benzineverkopers moeten makkelijker een verkooppunt kunnen krijgen.

Het onderzoek, dat wordt uitgevoerd op initiatief van de ministers Wijers (Economische Zaken) en Zalm (Financiën) door een werkgroep, is gisteren bekendgemaakt. “Wijers heeft er de turbo opgezet. De maatregelen gaan mogelijk ver”, zei een woordvoerder van Economische zaken vanmorgen. Eerder werd bekend dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek heeft ingesteld naar mogelijke kartelpraktijken van de oliemaatschappijen.

De kale prijs voor benzine en diesel (dus zonder accijns) aan de pomp ligt in Nederland hoger dan in omringende landen, zo is gebleken uit een onderzoek van het adviesbureau Coopers & Lybrand. De oorzaak voor de hogere benzineprijs is de zogeheten 'distributiemarge', het bedrag dat de oliemaatschappijen en onafhankelijke pomphouders de klant berekenen. Waar de distributiemarge in andere landen de afgelopen jaren is afgenomen, is die in Nederland zelfs nog gestegen.

De verklaring daarvoor is het ontbreken van concurrentie tussen de pomphouders op de literprijs, waardoor de benzine bijna overal in Nederland even veel kost. De Nederlandse pomphouders concurreren op de kwaliteit van de winkel bij de pomp, op het imago van de benzinemerken en met zogeheten 'loyaliteitssystemen' zoals spaarzegeltjes en air miles. Ook kent de Nederlandse benzinemarkt bijna geen nieuwe toetreders, die als 'prijsvechter ' een plaats trachten te veroveren.

Minister Wijers noemde vorig jaar het ontbreken van nieuwe concurrenten met name bij een overleg met de Tweede Kamer, waarbij hij ook een nader onderzoek aankondigde. In bijvoorbeeld Frankrijk verkopen om klanten te lokken ook de hypermarkten benzine, vaak bijna tegen kostprijs. De Nederlandse benzineverkoop wordt gedomineerd door vier grote oliemaatschappijen, die samen driekwart van de markt hebben. Het aandeel van de onafhankelijke, witte pomphouders wordt steeds kleiner. Een belangrijk probleem is dat gemeenten en provincies vergunningen verkopen aan de hoogst biedende, waarbij de kleine pomphouders niet opkunnen tegen de grote maatschappijen.