Geweld van Haneke wil louteren middels zelfkastijding

Funny Games. Regie: Michael Haneke. Met: Susanne Lothar, Ulrich Mühe, Frank Giering, Arno Frisch, Stefan Clapczynski. In: 7 theaters.

Sommige kinderen kunnen niet lachen om de pijn van Laurel en Hardy. Ze kunnen zich al met de geschopte en geslagen personages identificeren, maar ze begrijpen nog niet dat het geweld hen geen pijn doet, en dat je er daarom van kunt genieten. Mij kost het soms nog steeds moeite om uit pijn plezier te halen. Laurel en Hardy zijn nu grappig, maar veel horror- en splatterfilms nog steeds niet. Ik kan er zelfs niet bij huiveren. Maar tussen het genieten van slapstick en van ergere vormen van filmgeweld bestaat geen absoluut verschil; het is een kwestie van gewenning en van smaak.

Funny Games van Michael Haneke is, zoals bekend na het rumoer dat de film op het festival van Cannes veroorzaakte en nu weer op dat van Rotterdam veroorzaakt, een film over dit verschijnsel. Haneke's film maakt de gewenning aan geweld ongedaan. Twee jongens vermoorden tijdens een lange avond en een nog langere nacht, een kind, een vader, en een moeder. De locatie is een voluptueus vakantiehuis aan een mooi meer. Een reden is er niet. In een veelbesproken scène zegt een van de jongens, die uit net zo'n rijk gezin afkomstig lijken te zijn als hun slachtoffers vormen, dat er voor hun daden geen enkel excuus is. Ze doen het voor hun plezier, en voor dat van de kijkers. De slimste moordenaar zegt dat af en toe rechtstreeks tegen de camera en het publiek. Met deze terzijdes, een oude truc, probeert Haneke de magie van film en elke andere vorm van fictie te doorbreken. Het geweld wordt door de acteurs zelf al ontmaskerd als onecht. Misschien is het daarom zo vervelend om naar Funny Games te kijken. De film is een film tegen film.

De wrede handelingen gebeuren meestal buiten beeld, de gevolgen toont Haneke in verwrongen, bange gezichten of levenloze lichamen. Telkens volgt Haneke de wetten van het thrillergenre en telkens laat hij de kijker in een nieuwe kuil vallen. In het begin laat Haneke bijvoorbeeld zien dat het zoontje in een zeilboot een mes heeft laten liggen. Als de moeder veel later als enige overlevende van het gezin met de moordenaars op deze boot zit, hoop je dat ze het mes vindt. Dat doet ze, maar de moordenaars ontgaat dat niet en hup! daar gaat moeder overboord. Naverteld klinkt het al grappiger dan het is, want Haneke laat heel goed zien dat geweld pijn doet, dat vernedering verschrikkelijk is, dat hoop vergeefs is en dat het goede niet overwint. Met zijn kaal en meedogenloos gefilmde dooddoeners wil Haneke zijn publiek verhinderen om, op welke manier dan ook, van geweld te genieten. De dubbele bodem is er uit. Zijn film is plat vermaak dat maar geen vermaak wil worden omdat geslaagd vermaak bijna altijd met dubbelzinnigheid te maken heeft.

Tegenstanders van de film hebben het ontbreken van een catharsis het grootste mankement van Funny Games genoemd. De moordenaars worden niet gestraft, er is aan het slot zelfs de suggestie dat er nog een gezin aan zal gaan. Toch denk ik dat de film wel degelijk verlossing wil bieden. Het is de catharsis van de zelfkastijding die hier aangeboden wordt. Mijn herinnering aan Funny Games is daardoor verdreven door een ander beeld: ik zie Haneke aan het hoofd van een stoet flagellanten door de straten trekken. Ze slaan zichzelf met zwepen. Ze doen boete; boete voor het genot dat fictief geweld hen geschonken heeft; voor de afschuw, de fascinatie en de onverschilligheid die echt geweld op de televisie kan oproepen en misschien wel voor dat geweld zelf. Hard zwiepen de zwepen en de enige troost die de toeschouwer langs de kant van de weg heeft, is de wetenschap dat ook zo veroorzaakte pijn sommigen plezier kan bieden.