Wie houdt de fietsendief?

Op een zaterdagmiddag wordt er onder de ogen van honderden mensen een fiets gestolen. Het gebeurt in Nijmegen, maar het kan overal zijn. Massa's kooplustigen bewegen zich door de stad. Ik heb mijn boodschappen gedaan en spoed mij naar huis. Vanuit een ooghoek zie ik een man met een fiets op zijn schouder lopen. Meteen beginnen de excuserende mechanismen te werken: “Och, misschien is hij zijn sleuteltje kwijt... Waarom zou nou net jij je ermee moeten bemoeien?... Je krijgt er alleen maar gedonder mee.”

Eerst loop ik door, maar dan overwint het sociale geweten: als iedereen de andere kant opkijkt, gebeuren de verschrikkelijkste dingen waar we bij zijn. Ook voor mijn eigen gemoedsrust is het beter iets te doen. Anders wordt de rest van de dag bedorven door ergernis over mijn lafheid. Ik keer dus op mijn schreden terug en volg de man met de fiets op zijn nek, voorlopig op een afstand. Ik zie dat de fiets een wit veiligheidsslot heeft. Een normale fietser heeft een reservesleutel thuis en zal zich niet aan de argwanende blikken van voorbijgangers blootstellen door met een afgesloten fiets te gaan zeulen. Het is duidelijk dat daar iets gebeurt wat niet in de haak is. Ik versnel mijn pas, haal de fietsensjouwer in en zeg luid: “Hé, waar gaat dat met die fiets naar toe?” Het begin van een non-conversatie:

“Gaat jou dat wat aan?”

“Nou en of. Dat gaat ons allemaal wat aan.”

“Nou, als ik zeg dat-ie van een kennis is?”

Pas nu ik de man in het gezicht kijk, zie ik hoe laat het is: de doorlopen ogen verraden de junk. Of moet ik juist extra op mijn hoede zijn voor agressiviteit? Waarom denk ik op dit moment aan Tjoelker? Inmiddels is mijn opzet geslaagd: er ontstaat een oploopje. Voornamelijk echtparen blijven staan, wel op veilige afstand.

“Laat die fiets hier.”

Dit is het kritische moment. De man peilt met een bliksemsnelle blik de situatie en loopt door, met de fiets over zijn schouder.

Ik haal mijn schouders op. Ik heb gedaan wat ik onder de gegeven omstandigheden kon doen. Als ik de hand op de fiets had gelegd, had ik geweld uitgelokt. Hoe anders was het geweest als een of twee man uit het publiek naar voren waren gestapt en met mij de fietsendief hadden geïntimideerd. Ik zag voor mijn geestesoog al de komische optocht van enkele nette lieden die samen een afgesloten fiets naar het politiebureau dragen, onderweg aan de passanten uitleggend dat ze juist een misdrijf verhinderd hebben.

Waarom steekt niemand een poot uit? Het is klaarlichte dag en we bevinden ons met honderden fatsoenlijke mensen op Nijmegens grootste winkelplein. De man heeft geen kompanen, maar toch verdragen tientallen burgers het om lijdzame getuigen te zijn van een diefstal. Ik word nog kwader op mijn medemensen als een bekende op mij toestapt en mij toevoegt: “Zo, was je weer eens de openbare orde aan het handhaven?” Die praat voor zichzelf zijn passiviteit goed door mij als uitslover neer te zetten.

Peinzend vervolg ik mijn weg naar huis, onvoldaan over de afloop van het incident, maar niet geheel ontevreden over mijn optreden. Misschien heb ik op bescheiden wijze bijgedragen aan de indamming van de criminaliteit. Wellicht bedenkt de fietsendief, die intussen wel zijn geeltje bij de heler heeft opgestreken, zich wel twee keer voordat hij weer een fiets oppakt. De angst voor het gedonder is een effectieve rem op wangedrag. Of is hij juist versterkt in zijn brutaliteit door het gebrek aan reactie van het publiek?

Opeens denk ik aan de tekst bij het politiebureau in aanbouw: 'De politie uw partner in veiligheid'. Tot nog toe deed de koddige ondernemerstaal mij alleen maar gniffelen. Is de politie onze deelgenoot in veiligheid? Zij heeft van ons allen de taak gekregen om legitiem geweld te gebruiken. Maar het is natuurlijk waar: al het blauw op straat vermag niets tegen de misdaad als tientallen ooggetuigen een fietsendief blauwblauw laten.