Wachtlijsten

In zijn bijdrage 'Voorrang in de zorg is ongewenst' (NRC Handelsblad, 27 januari) gaat collega Oudkerk nogal gemakkelijk voorbij aan de verantwoordelijkheid van de politiek voor de wachtlijsten in de zorgsector. Slechts weinigen schijnen zich te herinneren dat tien jaar geleden er in de specialistische gezondheidszorg, behalve voor transplantaties, praktisch geen wachtlijsten bestonden.

Sindsdien heeft de politieke campagne tegen deze vorm van zorg haar doel niet gemist. Collega Oudkerk heeft deze campagne steeds met zijn gezag als huisarts en 'dus' kenner van de materie, ondersteund. Hij voorspelde grote bezuinigingen door efficiëntieverbetering zonder zich voldoende af te vragen waarom de ziekenhuiszorg vaak zo inefficiënt werkt. Inderdaad realiseerde de zorgsector tussen 1990 en 1996 een jaarlijkse gemiddelde stijging van de arbeidsproductiviteit van 0,6 procent per jaar, in 1997 nog echter een daling van 0,1 procent. De rek was eruit, resulterend in een hoger ziekteverzuim bij het ziekenhuispersoneel, minder verzorging en aandacht voor patiënten en... langere wachtlijsten.

Deze wachtlijsten zijn niet het gevolg van een tekort aan specialisten, maar worden veroorzaakt door een tekort aan verpleegkundigen en ander paramedisch personeel. Het zal veel lezers verbazen dat een groot aantal specialisten in vakken met wachtlijsten slechts vier dagen per week aan patiëntenzorg werken doordat er te weinig personeel is om operatiekamers, zalen en poliklinieken voluit te laten draaien en er bovendien geen budget is voor meer behandelingen. Dit probleem is nog verder verscherpt door de invoering van de 36-urige werkweek. Deze maatregel, waarover ik collega Oudkerk niet gehoord heb, betekent een vermindering van de personeelsformatie van ruim 5 procent. Hiervan wordt over het algemeen 3 procent vergoed, 2 procent van het personeel verdwijnt, met gevolgen voor de wachtlijsten die zich laten raden.