THE NEW YORK REVIEW OF BOOKS

Economie is een soort maatschappelijke geologie. Economen kunnen net als geologen heel goed voorspellen dat er een grote ramp staat te gebeuren, maar ze kunnen niet zeggen of dat binnen nu en een seconde zal gebeuren of over 1000 jaar. Lester Thurow, econoom aan het Massachussets Institute of Technology, schrijft in The New York Review of Books dat economische aardbevingen een intrinsiek deel vormen van kapitalisme, of het nu gaat om de speculatie in tulpen in het zestiende-eeuwse Holland, de Zuidzee-zwendel in de zeventiende eeuw of de beurskrach in 1929.

Zeven jaar na het ineenstorten van de Japanse beurskoersen en grondprijzen zijn de aandelenmarkt en de markt voor onroerend goed nog steeds niet hersteld.Thurow illustreert de ernst van de huidige Aziatische crisis door er op te wijzen dat de waarde van alle uitstaande aandelen van Samsung, 's werelds grootste producent van computergeheugenchips, even klein is als het bedrag dat nodig is om een van Samsungs fabrieken te bouwen, terwijl de onderneming een schuld heeft van 7,9 miljard dollar.

Natuurlijk zijn de breuklijnen van de economische aardverschuivingen in Azië al langer zichtbaar geweest, bijvoorbeeld in de grondprijzen. Normaliter weerspiegelen de prijzen van grond en onroerend goed de productiviteitswaarde van de economische activiteiten die erop en erin plaatsvinden. Dat was echter niet het geval in Bangkok, waar de productiviteit per hoofd van de bevolking twaalf keer zo laag is als in San Francisco, terwijl de grondprijzen er veel hoger waren.

Voor de auteur is ook weer eens duidelijk geworden dat crises als deze, ondanks de zogenaamde globalisering, niet veroorzaakt worden door internationale speculanten. Evenals tijdens de Mexicaanse crisis volgen zij de lokale beleggers, die immers altijd het best zijn geïnformeerd. Maar als het proces eenmaal gaande is versnellen ze het omdat ze in staat zijn snel met grote bedragen te werken. Het gaat nu om de vraag in hoeverre de overheden in de desbetreffende landen in staat zijn afdoende maatregelen te treffen, zoals de Amerikaanse overheid deed bij het bankroet van de stad New York, de redding van Chrysler en de beursval in 1987. Thurow heeft er geen vertrouwen in dat Japan een soortgelijke rol kan spelen, omdat de overheid na de val van de aandelen- en grondprijzen wel veel praat over herstructurering van de economie maar veel te weinig heeft gedaan. Hoewel het land een handelsoverschot heeft van 100 miljard dollar en meer dan 200 miljard dollar aan internationale reserves, zit het banksysteem ernstig in de problemen, omdat 13 van de 19 grootste banken in 1997 verlies hebben geleden en omdat ze volgens de auteur waarschijnlijk nog lang niet alle verliesposten hebben gemeld.

Hoewel de Aziatische crisis geen echte verrassing is, zijn er wel verrassende feiten aan het licht gekomen, bijvoorbeeld het feit dat de Koreanen 160 miljard dollar in vreemde valuta hebben geleend, de helft in kortetermijnleningen. Dat is in strijd met de afspraken die de internationale bankengemeenschap maakte na de financiële rampen in Latijns-Amerika in de jaren tachtig. De leden van die gemeenschap verplichtten zich toen om hun particuliere en publieke leningen te rapporteren aan de Bank for International Settlements in Zwitserland. Maar volgens Thurow is daar zo weinig van terechtgekomen dat er nog minder inzicht is in het leningenbestand dan in de jaren tachtig. Toch zal het internationale toezicht moeten verbeteren want niemand gelooft er meer in dat de betrokken Aziatische landen een eerlijke boekhouding voeren.

Thurow voorspelt dat deze landen zullen proberen om de problemen op te lossen door het opvoeren van de export met behulp van prijsverlagingen, die groter zullen zijn dan de waardevermindering van de diverse munteenheden. Elke onderneming die bijvoorbeeld concurreert met Zuid-Koreaanse ondernemingen in de sectoren staal, scheepsbouw, halfgeleiders, en tv-toestellen, moet voorbereid zijn op winstvermindering en verkleining van het marktaandeel. Japan zal dat ook doen, vooral in de Verenigde Staten. Volgens het IMF zal het Amerikaanse handelstekort dan oplopen met 50 miljard dollar. En dat zou gevolgen hebben voor maar liefst een miljoen Amerikaanse werknemers.

Maar als de Aziatische landen hun economie weer willen laten groeien moeten ze begrijpen dat het tijdperk van groei door export voorbij is en dat ze het moeten hebben van buitenlandse groei. Want groei door export lukt alleen goed als er niet te veel landen aan meedoen en als de echte groten, zoals China, zich afzijdig houden. Immers, het is onmogelijk dat ieder land zijn export met 20 procent verhoogt, terwijl de wereldeconomie maar 2,5 procent groeit.

The New York Review of Books verschijnt elke veertien dagen en is verkrijgbaar in de kiosk.