Solotentoonstelling van Schnitger in de Vleeshal; 'Ik zoek de schoonheid van vieze dingen'

De Haarlemse Lara Schnitger heeft, na een succesvolle expositie in New York, haar eerste solotentoonstelling in Nederland met sculpturen van plastic, schuimrubber en stretchstof. “Ik ben een traditioneel beeldhouwer.”

Tentoonstelling 'Space Invader' van Lara Schnitger. T/m 22/2 in De Vleeshal, Markt, Middelburg. Open: di-zo 13-17u. Informatie: (0118) 675 423.

Net afgestudeerd en nog relatief onbekend, werd Lara Schnitger in 1995 door het Stedelijk Museum Amsterdam gevraagd om mee te doen aan de internationale tentoonstelling Wild Walls. In één klap kende iedereen haar grote schuimrubberen fantasiefiguren en haar korte, Bruce Nauman-achtige videofilmpjes. Ze werd voorgesteld aan belangrijke galeriehouders en kwam uiteindelijk via Barbara Gladstone terecht bij Anton Kern, de zoon van de Duitse beeldend kunstenaar Baselitz. Kern was van plan in New York een galerie te beginnen en was op zoek naar jong talent.

Schnitger (Haarlem, 1969) is net twee maanden terug uit New York, waar ze samen met haar vriend, de kunstenaar Matthew Monahan, een jaar in een piepklein atelier in Brooklyn woonde en werkte. De tentoonstelling bij Anton Kern was een groot succes. Ze verkocht een flink aantal werken en kreeg veel aandacht van de Amerikaanse pers. De afgelopen week bracht Schnitger door in Duitsland, waar ze uitgenodigd was om op kasteel Bernenburg de zestigste verjaardag van Baselitz te vieren.

“Drie maanden na Wild Walls was mijn werk opnieuw in het Stedelijk te zien bij de tentoonstelling Sublieme Vormen, een presentatie van de nieuwe gemeente-aankopen. Daarna is de bal echt gaan rollen,” vertelt Lara Schnitger.“De pers kwam op me af en ik moest opeens allemaal uitspraken doen. Nooit vraagt iemand je om tentoon te stellen en toen kwamen ze allemaal tegelijkertijd. Ik zei tegen iedereen 'natuurlijk, dat doe ik' tot ik opeens besefte dat ik vijf shows in dezelfde week had. Ik ben daarna een tijd flink overspannen geweest. De druk om te blijven presteren was heel groot, omdat ik het gevoel had dat iedereen op me lette. Bovendien moest ik voor elke tentoonstelling nieuwe beelden maken, omdat mijn werk heel vergankelijk was.”

Het reusachtige Grand Cru dat in 1996 op Sublieme Vormen te zien was, bestond uit een tros opgeblazen ballonnen die met repen plastic tussen vloer en plafond was gespannen en door de ruimte leek te zweven. Directeur Rudi Fuchs wilde het werk wel aankopen, maar stuitte op de praktische problemen van het conserveren. Al tijdens de tentoonstelling zakte het verschrompelende beeld in elkaar. Schnitger: “In New York ben ik gaan werken met duurzamere materialen, zodat mijn beelden langer konden blijven bestaan. Fuchs heeft uiteindelijk twee andere beelden gekocht die gemaakt zijn van plastic vuilniszakken. Dat plastic breekt in ieder geval niet vanzelf af.”

In de Vleeshal in Middelburg, waar Schnitger haar eerste Nederlandse solotentoonstelling heeft, zijn verschillende beelden te zien die zij in New York maakte. Vier gigantische sculpturen van plastic, schuimrubber en stretchstof hebben bezit van de ruimte genomen. Ze doen denken aan boosaardige monsters, onderwaterwezens en stripachtige aliens. Met lange repen plastic zijn ze tussen de muren van het historische gebouw gespannen. De zwarte lijnen lijken net tentakels die in alle richtingen de ruimte in schieten.

Schnitger heeft voor haar werken een techniek bedacht waarbij de repen plastic aan elkaar gestreken worden. De kern van de beelden blijft hetzelfde, maar door de lijnen langer of korter te maken, kunnen ze worden aangepast aan de ruimte waar ze terechtkomen.

“Als je de beelden op de grond ziet liggen, zijn het net op het strand aangespoelde kwallen, of klompen uitgespuugde kauwgom. Het zijn dode wezens die pas hun vorm krijgen als ik ze aan de repen optrek en aan de muren bevestig. Dan gaan ze groeien en bobbelen en worden het organische, vlezige massa's. Eigenlijk zijn mijn beelden een soort parasieten. Ze hebben zelf geen botten, maar gebruiken het skelet van het museum om te kunnen bestaan. Ik vind het interessant om heel sobere materialen te gebruiken die helemaal geen waarde hebben, zoals de groene pedaalemmerzakjes van de Albert Heijn. Het is bijna een soort alchemie, waarbij je van niets goud probeert te maken. Ik bedenk niets van tevoren, maak ook geen schetsen, alles ontstaat spontaan.”

De korte, vluchtige video's zou je kunnen opvatten als schetsen voor de beelden. Op een video die getoond werd op Wild Walls was te zien hoe Schnitger draden kauwgom vanuit haar mond over haar gezicht heen spande en een soort spinnenweb maakte, zoals ook haar beelden uit draden worden opgebouwd. Vaak zijn het vrij onsmakelijke handelingen die ze voor de camera uitvoert: ze peutert oesterschelpen open en laat het slijmerige prut aan touwtjes dansen of drinkt een fles tomatenketchup leeg. In de Vleeshal is te zien hoe de camera het te verduren krijgt. Dikke klodders spuug worden met een vinger over de lens uitgewreven. Een ballon die om de camera gespannen is, wordt eerst moeizaam opgeblazen en loopt dan leeg, met alle vieze geluiden vandien.

“Ik doe geen vieze dingen om te shockeren, maar ik ben juist op zoek naar een soort schoonheid”, zegt Schnitger. “Veel mensen vinden spuug vies en vuilniszakken lelijk, terwijl ik probeer daar iets moois in te zien. Ik streef naar sublieme werken, die het mooie en het lelijke doorbreken, die daar bovenuit stijgen. Ik heb in New York een beeld tentoongesteld dat Fina heette. Het was een heel dynamisch schuimrubberen beeld waarin allerlei groeisels samenkwamen. Ik heb dat beeld genoemd naar een hond die ik ken, een heel enthousiast en blij beest dat altijd direct op je af komt rennen. Maar als hij zich omdraait, zie je dat zijn kont vol gezwellen en groeisels zit. Die mooie lelijkheid zoek ik ook op in mijn werk. Daarom houd ik bijvoorbeeld zo van de barok. Dat is eigenlijk een afschuwelijke stroming met al die krullen. Maar de schilderijen van Rembrandt vind ik prachtig, met die dikke klodders verf waar het licht zo mooi doorheen schijnt.

“Ik kijk graag naar oude kunst, op dit moment bijvoorbeeld naar El Greco. De jonge gehypte kunst uit Londen doet me niet zoveel. Die werken zijn gebaseerd op een ideetje dat vervolgens wordt uitgevoerd. Het is allemaal zo tijdelijk, net als kleding. Nu is het hip om te dragen, maar zodra iedereen het aanheeft is het opeens niet meer interessant. Ik zie mijzelf meer als een traditioneel beeldhouwer. Mijn beelden zijn gebaseerd op hele traditionele principes: de zwaartekracht, de kleurproblemen, het transformeren van materialen. De problemen die ik mijzelf stel in het atelier zijn problemen die mensen al eeuwen proberen op te lossen.”