Oude bekenden

Ik had het weer goed voor elkaar. Rechts van mij zat een slanke blondine, jong genoeg om een verticale lok voor haar neus te hebben en links had ik Martha, een mollige dame met een fraai decolleté. Ik zat gebeiteld, en was blij dat ik zat.

Eerst die receptie van 4 tot 7, die uitliep omdat iedereen bleef, omdat er zovelen waren en je telkens weer anderen tegen het lijf liep. Zo ontmoette ik Vincent, die Gombrowicz vertaalt en daar tegenover mij even niet over uitgepraat raakte - wat is dit toch een stuk leuker dan mensen over geld horen praten. Ander soort mensen.

Op een gegeven moment knijp je er tussenuit, zit je een paar straten verder op uitnodiging van weer een andere gastheer met z'n twaalven ('onder ons') aan een diner met een jonge actrice over haar huwelijk te praten. Er wordt wat afgepraat in de wereld en dat is goed. Dat verzet de zinnen en versnelt de geest. Je wordt flitsender.

Het was een langwerpige tafel; ik zat min of meer aan het hoofd, per toeval en raakte van lieverlede ook met Martha in gesprek. Ik kende haar van een poëzieavondje in Apeldoorn, lang geleden en zij wist zich nog precies te herinneren wat ik bij die gelegenheid had voorgelezen. Ik wist dat ook nog. Sterk.

Het eten was heerlijk. We waren het er allemaal over eens dat dit wel een heel bijzondere Chinees was. Misschien was het wel een Koreaan. In elk geval was het iets dat we nog nooit eerder hadden gehad. Ik ging, zoals wel vaker als ik goed eet, onder in een roes. Daartoe droegen ook de gesprekken bij. En de wijn; we hadden allemaal het hoogste woord.

Het eindigt altijd met koffie. Dat vind ik persoonlijk een afknapper, geef mij maar ijs. Dat had wat voeten in de aarde, want ik was de enige. Maar eindelijk kreeg ik toch mijn ijs. Drie bollen in een bowl, met wat likeur er overheen. Ik genoot bij voorbaat. Maar die bollen ijs... waren zo hard dat ik er met m'n lepel geen vat op kreeg.

“Gaat het?”, vroeg Martha bezorgd. Het ging niet, ze waren hard als steen, zei ik. Min dertig graden. Resoluut nam ze het glas in de kom van haar handen, om het te verwarmen. We hoefden niet lang te wachten, je zag het ijs zacht worden. Zij leek wel een magnetron.

“Komt door mijn gevoelens”, zei ze.

“Ik voel ze hier vandaan”, plaagde ik. Ze stak haar tong naar mij uit.

“Als het zacht is”, zei ik, eenmaal smikkelend, “is het ook smakelijker.”

De meeste gasten waren opgestaan en lieten zich in hun jassen helpen. Wij, met ons ijs, waren de laatsten.

Ik bracht Martha naar haar huis. Ik vroeg haar of ze zich films herinnerde met Norman Wisdom. Een Engelse komiek. Het zou me verbazen, want ze was een stuk jonger dan ik. Zwartwit films, verduidelijkte ik. De reden dat ik het vroeg was dat ik mij de ijsscene herinnerde. Norman komt binnen met een blad ijs op zijn schouder, om de gasten te bedienen. Hij is daarin natuurlijk vreselijk onhandig, zozeer zelfs dat een van die ijsjes in het decolleté van een oudere dame valt. En begint te smelten. En dan z'n pogingen met een lepel het ijs nog weer naar boven te krijgen. Dit alles vertelde ik haar niet. Je moet een film nooit navertellen.

Bij haar huis aangekomen, nodigde ze me uit met haar mee naar binnen te gaan. Fijn. Had ik een beetje op gerekend. Een smalle gang, een ruime kamer, met veel kunst. Ze trok de gordijnen dicht. Er gingen lampen aan en andere gingen uit. En toen we naast elkaar op de bank zaten - dat wil zeggen zij op de bank en ik in een makkelijke stoel - stond er opeens een geweldig stuk muziek tusen ons in. Een of ander symfonieorkest, dat uitpakte met zware, nog nimmer gehoorde klanken - dit moest van Brahms zijn. Maar ik ken alles van Brahms en dit kende ik niet. “Het eerste pianoconcert”, ried ik.

Martha, op de bank, glimlachte geheimzinnig en stak toen twee vingers op. Tweede dus.

“Je maakt dezelfde fout als Erik”, zei ze.

Ik wou niet vragen wie Erik was. Er zijn zoveel Erikken tegenwoordig. Ik maakte een elegante toespeling op 'Apeldoorn', maar dat sloeg niet aan.

Ze stond op en ging naar de keuken, om wat nootjes of 'knabbeltjes', om wat 'fris', ik had opeens een enorme dorst. Daarbij - ik zag haar aan het aanrecht staan en vroeg me af hoe lang het geleden was...

Ze kwam terug in de kamer, met haar versnaperingen. “Ik geniet”, zei ze, “altijd zo van je columns in de NRC. Die vind ik erg goed.”

Ik glimlachte bescheiden.

“Ja, ik ben een echte fan van je. Je poëziebloemlezing heb ik ook. Ja, voor ik het vergeet... Zou je daar je handtekening in willen zetten?”

Ze zette haar lekkere spullen neer en kwam aanzetten met De Nederlandse poëzie van de 19de en de 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten.

Het is niet voor het eerst dat mij dit overkomt en ik geloof ook dat ik wel weet hoe de handtekening van mijn bijna-naamgenoot er uitziet. Een wat kinderlijke handtekening. Maar makkelijk neer te zetten en ik schrijf: van Gerrit, voor Martha. Plus datum en plaats.

“Natasja”, verbetert ze.

“God, neem me niet kwalijk”, zeg ik, “ik meende dat je Martha heette. We hebben elkaar toch in Apeldoorn...?”

“Dat zeg jij aldoor. Maar ik weet niks van Apeldoorn. Geeft niet”, zegt ze ruiterlijk. “Voor Gerrit Komrij heet ik vanavond Martha. Je bent toch Gerrit Komrij?”

“Zeker.”

Later op de avond - het is al nacht en ik zit met de arm om haar heen, om haar romige weelde te voelen en mogelijk heeft ze zich daarover verbaasd, maar dat kan me niets schelen - het is drie uur en ik vertel haar de mop van Sam en Moos. Sam is op weg naar huis en ziet in de verte Moos aankomen en denkt: verdomd als dat Moos niet is. En Moos loopt daar, ziet in de verte Sam aankomen en denkt: ik moet me al sterk vergissen als dat Sam niet is. Ze naderen elkaar. Lopen op elkaar toe... Laten ze het nou geen van beiden zijn. We gillen het uit. Ik krijg een kom heerlijke erwtensoep van haar, ter elegante afronding van deze ontmoeting en daar is de taxi.

Door de zenuwen is ze de sleutel van de voordeur kwijt en moet ik via de keukendeur naar buiten en door de tuin. Maar zit ik eenmaal in de taxi, dan is alles weer zoals het wezen moet. Ik wuif en zij wuift hartelijk terug. En - roef!! - weg zijn wij.