Nederlandse ondernemingen in Canada; Een comfortabel lagelonenland

Nederland is een van de belangrijkste buitenlandse investeerders in Canada geworden. Voor sommige bedrijven is de cultuur belangrijk: net iets Europeser dan de VS, en toch comfortabel dichtbij die Amerikaanse markt. Voor andere spelen de gunstige productie- en vestigingskosten de belangrijkste rol. Canada kan concurreren met lagelonenlanden, is gebleken

Het Groningse Bio-Intermediair nam een ogenschijnlijk ongebruikelijke stap toen het een paar jaar geleden besloot tot uitbreiding in Noord-Amerika. Om vaste voet aan de grond te krijgen in met name de Verenigde Staten, koos de leverancier van biologisch-farmaceutische producten een vestigingsplaats in Canada.

Vanuit een gloednieuwe vestiging in Montréal is de onderneming, een divisie van het Gist-Brocades concern, net begonnen haar diensten te leveren op de Noord-Amerikaanse markt. Evenals in Groningen betekent dat het ontwikkelen en aanmaken van biologische componenten als hormonen en proteïnen, in opdracht van biofarmaceutische instellingen. Opdrachtgevers van Bio-Intermediair gebruiken die componenten op hun beurt bij de ontwikkeling en productie van biologische geneesmiddelen, als insuline voor diabetici.

“In het werk dat wij doen is Noord-Amerika, vooral de VS, absoluut de belangrijkste markt”, zegt Peter van Hoorn, directeur marketing en verkoop van de operatie in Montréal. Biologische geneesmiddelen hebben volgens Van Hoorn een enorm groeipotentieel, en “Noord-Amerikaanse investeerders zijn in hoge mate bereid geld te steken in hightech-bedrijven die betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwe therapieën.”

Voor de stap naar het Noord-Amerikaanse continent bestudeerde Bio-Intermediair verscheidene locaties in de Verenigde Staten. De onderneming kwam echter tot de conclusie dat het Canadese Montréal de voordeligste vestigingsplaats was.

Van Hoorn noemt als belangrijkste redenen een goed investeringsklimaat voor biotechnologische bedrijven, met de aanwezigheid in de regio van andere organisaties en laboratoria in de sector en goed opgeleid personeel. Bovendien, verklaart hij, “deed Canada erg zijn best om ons met aanmoedigingspremies naar Toronto of Montréal te trekken.”

De expansie van Bio-Intermediair maakt deel uit van een aanzienlijke groeispurt van Nederlandse investeringen in Canada. Tussen 1992 en 1996 nam het totaal aan Nederlandse investeringen in Canada toe met ruim 63 procent, tot 7,35 miljard Canadese dollar (bijna tien miljard gulden). Nederland is daarmee sinds vorig jaar de op twee na grootste buitenlandse investeerder in het land, na de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Japan, tot voor kort nummer drie op de ranglijst, zakte naar de vierde plaats. Duitsland werd in 1992 al voorbijgestreefd. Het aandeel van Canada in Nederlands buitenlandse investeringen steeg van 1,6 procent tot bijna vijf procent.

Het leeuwendeel van de stijging houdt verband met overnames of uitbreidingen van multinationals met een Nederlands belang. Zo verwierf Unilever in 1996 voor 800 miljoen dollar een belang van zeventig procent in Diversey, een Canadese producent van schoonmaakmiddelen. Shell Canada, de op zes na grootste onderneming in Canada die voornamelijk in buitenlands bezit is, heeft een nieuwe expansieronde ondernomen, met belangen in nieuwe energiewinningsprojecten aan de Canadese oostkust en in de deelstaat Alberta. Tevens maakte Shell Chemicaliën, een Canadees bedrijf dat volledig in handen is van het Brits-Nederlandse moederconcern, het afgelopen jaar plannen bekend voor de bouw van een ethyleen-glycolinstallatie bij Edmonton, een project van ongeveer 400 miljoen dollar in samenwerking met Mitsubishi Chemicaliën uit Japan.

Maar ook nieuwe initiatieven, rechtstreeks vanuit Nederland zoals dat van Bio-Intermediair, zitten in de lift. De ING Groep bijvoorbeeld investeerde het afgelopen jaar vijftig miljoen Canadese dollar in haar eerste 'virtuele bank' buiten Nederland. ING Direct, een spaarbank zonder filialen die wordt gedreven vanuit een telefooncentrum in Toronto, dient als experiment voor toekomstige uitbreiding van telebankieren door ING in Noord-Amerika en Europa.

Canada “is een interessante markt”, verklaart Arkadi Kuhlmann, hoofd van ING Direct, de locatiekeuze van de ING Groep voor de telebank. “Het zit dicht tegen de Amerikaanse markt aan en biedt daarom strategische voordelen. Je kunt dingen uitproberen in Canada, want er zijn belangrijke overeenkomsten met delen van de Verenigde Staten.” Los daarvan hebben Nederlanders volgens Kuhlmann een zekere affiniteit voor het land. “Nederlanders voelen zich hier erg thuis”, zegt hij.

Ook voor Bio-Intermediair speelde de culturele factor een rol. In vergelijking tot de Verenigde Staten, “vonden we Canada een maatschappij die meer lijkt op waar we in Europa aan gewend zijn”, zegt Van Hoorn. Zijn collega Stephen Fuhrman, hoofd van de Canadese vestiging van Bio-Intermediair, noemt de thuisbasis van zijn bedrijf zelfs “een stukje Europa in Noord-Amerika”.

Dergelijke gevoelsmatige overwegingen zijn echter zelden doorslaggevend. Een grotere magneetwerking gaat uit van het algemene investeringsklimaat in Canada. De internationale consulentenfirma KPMG deed het afgelopen jaar onderzoek naar de dagelijkse kosten van ondernemen en zaken doen in de Verenigde Staten, Canada en vijf Europese landen. Ze concludeerde dat Canadese locaties gemiddeld de goedkoopste zijn om een onderneming op te zetten en draaiende te houden, gevolgd door plaatsen in Zweden, Groot-Brittannië, de VS, Italië, Frankrijk en Duitsland.

KPMG vergeleek en woog de bedrijfskosten in acht sectoren, in 42 steden. Hoewel de VS en Duitsland profiteren van een hogere productiviteit, biedt Canada volgens KPMG voordelen in grondprijzen, bouwkosten, elektriciteits-, en telecommunicatiekosten. De voornaamste ingrediënten van de Canadese voordeelpositie zijn bovendien relatief lage lonen en premies in Canada (lager dan in de VS) en bescheiden belastingen voor ondernemingen (gemiddeld minder dan 35 procent). Alleen op het gebied van transportkosten en vermogensbelasting scoorde Canada zwakker.

In vergelijking met de Verenigde Staten biedt Canada de investeerder volgens KPMG een kostenvoordeel van gemiddeld 5,4 procent. Voor een bedrijf met honderd werknemers en een omzet van tien miljoen dollar per jaar zou dat jaarlijks een besparing van een miljoen dollar betekenen. Volgens Stuart MacKay, leider van het onderzoek van KPMG in Vancouver, “toont de studie aan dat elke onderneming die voordelig wil opereren in Noord-Amerika, serieus naar Canada moet kijken”. Dat is wat Bio-Intermediair heeft gedaan. Het bedrijf stak veertig miljoen dollar in de nieuwe vestiging in Montréal, die groter is dan het pand in Groningen en voorlopig zestig arbeidsplaatsen biedt. Fuhrman spreekt van “een aantrekkelijke deal”, met “kostenvoordelen waar je in, laten we zeggen Californië, niet op hoeft te rekenen”.

Aan de andere kant zijn begin- en operatiekosten maar voor een deel bepalend bij de locatiekeuze van een buitenlandse investeerder. Factoren als het potentieel voor economische groei en de afstand tot de voornaamste markt wegen meestal zwaarder, en politieke omstandigheden spelen soms eveneens een rol. Ook op die punten staat Canada er echter goed voor, zegt Andrew Pyle, hoofd strategie van de ABN Amrobank Canada in Toronto.

Op enige politieke onzekerheid na rond Québec, de overwegend Franstalige deelstaat waarvan de regering de Canadese federatie wil openbreken, zijn alle economische factoren in Canada gunstig, volgens Pyle: de inflatie is laag (rond een procent per jaar); een federaal begrotingstekort van 43 miljard dollar in 1993 is met ingang van dit jaar omgezet in een overschot; rentetarieven zijn lager dan die in de VS; en de Canadese dollar is goedkoop (rond zeventig Amerikaanse cent). Zelfs de werkloosheid, lange tijd een domper op de economische vooruitgang, heeft de laatste maanden een structurele daling laten zien, en is nu met 8,6 procent op het laagste punt in zeven jaar beland. Sinds de economische crisis van begin jaren negentig “heeft Canada een spectaculair herstel geboekt”, concludeert Pyle.

Tim Bancroft, manager van personeelszaken en informatie bij Shell Canada in Calgary, schrijft aan de voorspoedige economische omstandigheden in Canada “een enorm investeringspotentieel” toe. “Behalve een stabiele economische groei en lage inflatie, beschikt Canada over geweldige hoeveelheden natuurlijke grondstoffen en een goed geschoolde beroepsbevolking”, zegt hij. “Bovendien hebben we als lidstaat van de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone direct toegang tot de enorme Amerikaanse markt.”

Die laatste twee factoren zijn inmiddels de steunpilaren geworden van het Canadese wervingsbeleid gericht op buitenlandse investeerders. Toen Canada tien jaar geleden een vrijhandelsverdrag sloot met de VS - later uitgebreid met Mexico tot het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord (NAFTA) - werd gevreesd dat ondernemingen en masse zuidwaarts zouden trekken, op zoek naar lagere loonkosten en belastingen en zwakkere vakbonden. Inmiddels wordt het vrijhandelsverdrag juist algemeen gezien als een zeer gunstige deal voor Canada, die de handel met de VS heeft doen verdubbelen en het land veel aantrekkelijker heeft gemaakt als investeringslocatie voor bedrijven van buitenaf.

“Voorafgaand aan het vrijhandelsverdrag, was investeren in de Verenigde Staten de enige optie voor wie de Amerikaanse markt wilde bedienen”, verklaart Daniel Schwanen, NAFTA-deskundige van het C.D. Howe Instituut in Ottawa. “Nu kun je ook naar Canada komen.” En min of meer tot 's lands eigen verbazing blijkt Canada een alternatief te bieden voor de gevreesde lage lonen in Mexico: een vakkundige, productieve en loyale beroepsbevolking. Philips besloot om die reden een paar jaar geleden een tweetal gloeilampfabrieken te verplaatsen van Mexico naar de Canadese deelstaat Ontario.

Het Departement van Internationale Handel in Ottawa prijst inmiddels actief aan dat in Canada meer hoger onderwijs wordt genoten dan in welk ander land ook binnen de G7, de groep van rijke industrielanden.

Bij wijze van aantrekkingsbeleid tot de Noord-Amerikaanse markt houdt de regering in Ottawa bovendien ondernemingsbelastingen zorgvuldig beneden de tarieven in de Verenigde Staten. Met enig succes: sinds het Amerikaans-Canadese vrijhandelsverdrag in 1989 van kracht werd, zijn de buitenlandse directe investeringen in Canada in totaal met ruim de helft gestegen, tot meer dan 177 miljard dollar.

Volgens Bancroft van Shell is het NAFTA-verdrag het investeringsklimaat in Canada in hoge mate ten goede gekomen. “Voor Shell Chemicaliën bijvoorbeeld maakt het een groot verschil dat er geen invoerrechten meer hoeven te worden betaald op producten die naar de VS gaan”, zegt hij. Bovendien heeft NAFTA volgens hem “in Canada het besef doen doordringen dat we productiever moeten zijn”.

Toen Bio-Intermediair op zoek ging naar een investeringslocatie in Noord-Amerika was vrijhandel er al vanzelfsprekend. In die zin, zegt Van Hoorn, was het geen factor bij de keuze tussen een Amerikaanse of een Canadese plaats. Wel noemt Van Hoorn als een van de voornaamste trekpleisters van Canada uitgerekend de markt van de Verenigde Staten. NAFTA, zo zegt hij, “biedt ons prima toegang tot de Amerikaanse markt”.

Inmiddels is de nieuwe vestiging van Bio-Intermediair bedrijfsklaar en is het eerste contract binnen. Van Hoorn, een van zeven Nederlanders die voor het uitbreidingsproject naar Montréal zijn gekomen, is over de beginfase goed te spreken. “Zakelijk beschouwd is het een bevestiging”, verklaart hij. En ook in persoonlijk opzicht - hij bracht een gezin mee met twee kinderen - bevalt het Van Hoorn tot nog toe goed. “Ik voel me hier uitstekend thuis”, zegt hij.