Koerden

De bewering van J.J. Jonker Roelants dat ik met de constatering dat het huidige Turkse staatsconcept geen ruimte laat voor een eigen Koerdische identiteit (NRC Handelsblad, 15 januari), het brute geweld jegens de Koerden zou rechtvaardigen en andere maatstaven zou aanleggen, getuigt van onzorgvuldig lezen.

Juist omdat ik dezelfde maatstaven aanleg, kan dit geweld niet door de beugel, en het Turkse eenheidsstaatsconcept evenmin, omdat dat alleen met terreur kan worden gehandhaafd - geheel los van de vraag naar de representativiteit van de PKK.

Van een verkeerd begrip getuigt ook zijn poging om mijn bewering 'dat het Westen met zo'n deling nog wel kan leven' met de staatkundige behoudzucht van de Amerikanen inzake Irak te weerleggen. Hij verwart hier, net als veel politici, praktische problemen met fundamentele vraagstukken. Wat ik stel is, dat op grond van onze westerse waarden er geen reden is om tegen democratie te zijn die in meer zelfbeschikking van de Koerden zou resulteren. Op het ogenblik is de Koerdische kwestie voor Ankara in elk geval volstrekt onbespreekbaar. Van enige beweging in het regeringsstandpunt, waarop Jonker Roelants lijkt te rekenen, is geen sprake.

Misschien dat hij hoop denkt te putten uit de ontwikkelingen in Noord-Ierland, waar de fronten lange tijd even verstard leken. De Turkse regering verkeert echter nog steeds in de fase van de ontkenning. Zij gedraagt zich als een ongezeglijke puber die niet op zijn gedrag aangesproken wil worden en de fout daarom steeds bij alle anderen legt.

Niet de leerling, maar de leraar moet worden opgevoed, stelt de schrijver desondanks, waarbij ik er van uitga, dat hij met de eerste Turkije, en met de tweede de Europese Unie bedoelt. Dat lijkt mij een onjuiste omkering van zaken. Wanneer de leerling niet leren wil, dan helpt ook de meest gedegen heropvoeding van de leraar niet.